NRC 17 mei 1997

Wanneer ik mij op een bijeenkomst zit te vervelen - en dat overkomt me wel eens - neem ik soms in gedachten een ingrijpende maatregel. Ik ontdoe de aanwezigen van das, trui of jasje en trek ze een pij of tabberd om, breng als het nodig is snel de tonsuur aan, en zet hun een bisschopsmijter op of een simpele kardinaalsmuts. Daar knapt het gezelschap flink van op. 

Ik zit nu aan bij de Inquisitie en het gaat allang niet meer over studenten die een cijfer moeten krijgen, maar over ketters die uit hun dwalingen moeten worden teruggeleid, met een vermanend woord of desnoods met harde hand. Ik kijk mijn gezelschap er eens goed op aan. Het is de nieuwe collega, nu hij in priesterlijke gewaden is gehuld, aan te zien dat hij de brandstapel al in gedachten heeft. Zo-even, nog in tweed en corduroy, leek hij toch zo'n meegaand mens. De bejaarde prof, de vriendelijkheid zelve, blijkt nu een oude huichelaar die zich aan koorknapen vergrijpt en zich in zijn angst voor ontdekking alvast genadiglijk voordoet in de ijle hoop dat hijzelf, eenmaal betrapt, de tortuur ontkomen zal. Mijn collega proximus, weggedoken in zijn monnikspij, vervalt in heftige gewetensstrijd, want in zijn orde doen naar mij ter ore is gekomen, verwante denkbeelden opgeld en dus aarzelt hij om de kanonieke wet in volle gestrengheid toe te passen.
Ik heb op de aanwezigen de methode El-Greco-Velazquez toegepast. In dat tijdloos en ongenadig licht verschijnen zij in hun ware aard, ontdaan van alle eigentijds vernis, binnenstebuiten gekeerd, hun ziel zichtbaar, omplooid met karmozijn en purper.

Het helpt. Als costumier verveel ik me al minder. In de verbeelding wreek ik mij op de machteloosheid die wij elkaar aandoen, de wederzijdse dwang om stil te zitten, ieder alleen op zijn beurt te praten, in afgewogen bewoordingen, en dan nog uitsluitend over de onderwerpen die de agenda ons opdringt, tot de rondvraag en - hoera - de sluiting toe.

De verveling is de machtigste, de meest algemene gemoedsaandoening van de moderne tijd. Hoe houden ze het uit, gezonde kinderen, spring-in-'t-velds, van hun kleuterdagen tot de jongvolwassenheid, van de vroege ochtend tot de late middag stil gezet en gedwongen om zich stil te houden. Dat is dan nog alleen de schooltijd en die duurt vaak al twintig jaar. Maar daarna is het niet afgelopen.

In de fenomenologie van de verveling is tot nog toe onvoldoende onderscheid gemaakt tussen de chronische verveling, de ennui, of de 'langwijle', en een ander soort: de acute verveling die plotseling, hevig opwelt.

Ik zoek mijn plaats in de schouwburg, trek mijn programmaboekje, het licht dooft, de toneelgordijnen gaan uiteen en het decor verschijnt. Om mij heen houden de toeschouwers hun adem in. En ik? Ik verveel me nu al. Wat heb ik misdaan dat ik hier moet zijn? Zat ik maar thuis achter mijn tafeltje, een stuk over verveling te schrijven. Hoe kom ik hier weg? Ga nu niet op je horloge zitten kijken, want elk sprongetje van de secondenwijzer verwijst naar een stapje of een sprongetje dat je zelf had kunnen maken, in vrijheid.
Er moeten andere maatregelen getroffen worden. Om te beginnen is er het programma om discreet en geluidloos door te nemen. Dat is toch zeker geen blijk van ongeïnteresseerdheid, integendeel, dat is juist een betoon van belangstelling voor het gebodene. Als ik het programma uit heb en opkijk zijn we nog steeds in het eerste bedrijf en er komen er nog drie. Een zucht. Van wie komt die? Van mij. Adem beter inhouden voortaan. Een gefluisterd grapje, zachtjes in een naburig en vertrouwd oor, dat mag toch zeker wel? Pardon, ik kijk alweer. Die man gaat dood en daar heeft zijn geliefde veel verdriet van. Zij wil ook dood. Zou ik uit mijn hoofd de wortel van 3969 kunnen trekken? Zal ik de orkestleden in de bak maar eens gaan tellen?

Het gaat hier niet om de verveling van mensen die doen kunnen waar ze zin in hebben en dan merken dat ze nergens zin in hebben. Die gemoedstoestand overvalt kinderen wanneer ze zich even nergens op verheugen; dan moet een groot mens iets bedenken waar ze weer naar kunnen uitkijken. De kinderverveling komt van het kortstondig ontbreken van vooruitzichten, volgens Adam Phillips in zijn Psychoanalytic essays on the unexamined life. 

Diezelfde chronische verveling krijgt volwassenen levenslang in de greep wanneer alle voornemens uit hun bestaan zijn weggevallen. Maar mij kwelt geregeld een ander soort verveling die oplaait wanneer je weet waar je wèl zin in hebt, maar dat onder de omstandigheden niet kunt doen. Dat is de acute verveling, van de autorijder in de file, van de scholier tijdens de les, van de toeschouwer bij een optreden dat hem niet zint, van de vergaderaar die geen belang bij de agenda heeft. 

Ik zou natuurlijk midden onder een voordracht kunnen opstaan: 'dames, heren, het spel is uit. Ik ga.' Maar dan valt heel de sociale toren waar ik al zoveel jaren de blokjes voor opeen stapel in één keer om.
Mijn soort verveling raakt aan ergernis en ongeduld. Het is niet zozeer dat ìk verveeld ben, het zijn de anderen die vervelend zijn, althans zo beleef ik dat: zij vervelen mij. In de chronische verveling ontbreken andere mensen die je bezig kunnen houden. In de acute verveling zijn die anderen je juist teveel (en daar komt het woord vandaan).

Tegen die acute verveling helpt de verbeelding. De fantast zit stil en houdt zich goed, maar in gedachten is hij al met iets heel anders bezig. En ook de anderen zijn er ondertussen met hun fantasieën vandoor. Zo moeten zich bijeenkomsten afspelen waar iedereen present is en iedereen afwezig; in gedachten ergens anders. En niemand die het merkt.
In dromen komt nooit verveling voor, want daar regeert de fantasie. Maar overdag vervelen de mensen elkaar.

Gedenkt allen het elfde gebod: 'never bore your neighbor.'