geschilderd door Wendelien Schönfeld

In Memoriam Johan Goudsblom (1932 – 2020)

door Abram de Swaan, verschenen in NRC, 24 maart 2020

Johan Goudsblom: trefzeker denker, bewapend met twijfel

Twijfel ik?’ – dit kortst denkbare aforisme kan gelden als de lijfspreuk van Johan Goudsblom, die dinsdag 17 maart na een ellendig ziekbed overleed.

            De verzameling van zijn kernachtig en trefzeker geformuleerde stellingen werd aanvankelijk gebundeld als Pasmunt (1958) en later opgenomen in een collectie van zijn korte en allerkortste geschriften, Reserves (1998). Zijn klein literair oeuvre hoort tot de best verborgen schatten van de Nederlandse literatuur. Daarom is het telkens weer een ontdekking en zal het nog heel lang ontdekt blijven worden. In het eerste deel  van zijn memoires, Geleerd (2017) over zijn kindertijd en jeugdjaren, vertelt Goudsblom indringend over de onzekerheid en zelftwijfel die hem van allerjongst af aan eigen was. Hij karakteriseert zich in één woord als ‘bleu’: verlegen, bedeesd, schuchter, en door schaamte beklemd. Maar iemand die twijfelt aan zijn twijfel ziet wellicht de vage contouren van een zekerheid opdoemen.

            Een eerste blijk van wetenschappelijke begaafdheid  had ‘Joop’ Goudsblom al getoond als scholier. Op zijn vijftiende publiceerde hij enkele opstellen over de geschiedenis van de Zaanse molens. Die historische aanpak zou hem zijn gehele loopbaan bijblijven, ook en juist als socioloog.

             In 1953, hij studeerde toen al sociologie aan de UvA, werd Joop Goudsblom lid van de meest glorieuze redactie van het toch al roemrijke studentenblad Propria Cures, dat hij samen met redacteuren als Renate Rubinstein, Hugo Brandt Corstius en Theo Sontrop jarenlang volschreef. Gemaskerd met velerlei pseudoniemen was hij in dat blad telkens een andere scribent, maar bleu was er niet een.

            Goudsbloms zelftwijfel werd omgezet in een wapen waarmee hij zich  tegen de wereld keerde, een volgehouden twijfel aan alles en misschien ook aan vrijwel iedereen, behalve aan zijn allernaasten. In zijn proefschrift Nihilisme en cultuur (1960) gaat het over de generatie van denkers die van die vertwijfelde twijfel hun levenshouding maakten: onderzoek alles en behoudt niets. Die dissertatie is in vele talen vertaald en telkens herdrukt.

            Beslissend werd zijn ontmoeting met de Duits-Engelse geleerde Norbert Elias (1897 - 1990), wiens groot historisch sociologisch opus,  Over het civilisatieproces, (1939, 1969) levenslang de inspiratiebron zou blijven voor Goudsbloms wetenschappelijk werk. Centraal stonden daarin het ontwikkelingsperspectief over een lang tijdsverloop en het inzicht dat mensen  (in meervoud) met elkaar verbonden zijn in een figuratie: een dynamisch netwerk van afhankelijkheidsverhoudngen (en dus van machtsrelaties). 

            In 1958 was Johan Goudsblom getrouwd met Maria Oestreicher. Dat huwelijk zou stand houden tot haar dood in 2009.  Sinds 1960 werkte hij bij de UvA, waar hij in 1968 hoogleraar werd en zou blijven tot zijn pensionering in 1997. Hij gaf daar het inleidend college sociologie, dat door talloze studenten gretig en met ontzag gevolgd werd. De neerslag van die lessen is te vinden in  Balans van de Sociologie (1974), alweer vaak vertaald en herdrukt. Goudsblom laat zien hoe een sociologisch werk naar een viertal criteria gewogen kan worden, maar die staan in een onderlinge spanningsverhouding: zo kan, wanneer de precisie overweegt, dat vaak ten koste gaan van de reikwijdte; wanneer de relevantie de doorslag geeft krijgt de systematiek veelal minder gewicht. Het gaat om meer en minder, om afweging en gradatie.

            In de jaren zeventig verzamelde Goudsblom een aantal gelijkgezinde collega’s en promovendi om zich heen, die later samenwerkten binnen de Amsterdamse School voor Sociaalwetenschappelijk Onderzoek.  Daar was ik zijn naaste collega en hij ‘mijn oudere broeder in de wetenschap’. Goudsblom publiceerde toen vooral in academische tijdschriften en kwam daar gedegen en gedecideerd op voor het gedachtegoed van Norbert Elias en voor zijn eigen uitwerking daarvan. Zijn grootste werk werd Vuur en beschaving (1992, oorspronkelijk in het Engels). In dat boek laat hij aan de hand van de vuurbeheersing zien hoe in de loop van de tijd mensen steeds beter in staat waren de omringende natuur te bedwingen, maar dat die beheersing van hun omgeving hun ook een steeds grotere dwang oplegde om zich te voegen naar de eisen die dat ‘vuurregiem’  afdwong, later en nog meer in de landbouw, en nog weer later en meer in de industriële productie en de stedelijke samenleving. Grotere beheersing van de omgeving vergt ook steeds grotere sociale dwang tot zelfdwang: dat is de ‘beschaving’.

            Goudsblom was Elias voorbij, al is hij diens denktrant altijd trouw gebleven. Na zijn pensionering bleef hij publiceren. In Het regime van de tijd (2006) weet hij het tijdsbegrip met vermijding van allerlei wijsgerige valkuilen consequent te herleiden tot dwingende verhoudingen tussen mensen die met elkaar leven onder een tijdsregiem van plichten en afspraken en die deze dwang als zelfdwang hebben verinnerlijkt.

            In zijn laatste jaren voltooide Johan Goudsblom het eerste deel van zijn memoires; Geleerd. Hier gaat het niet meer over de eeuwenlange ontwikkelingsgang van de gehele mensheid, maar over de twintig vormingsjaren van een enkel mens, toch weer gezien in het procesperspectief van de historisch socioloog. Goudsblom definieerde ‘cultuur’ ooit als alles wat door mensen geleerd moet worden: hij had geleerd en hij was  geleerd. 
Deze herinneringen zijn geschreven met dezelfde precisie, met eenzelfde analytische blik als hij een leven lang in zijn sociologisch werk op anderen had toegepast Hier neemt hij zichzelf onder de loep, uiteraard in zijn betrekkingen tot de mensen om zich heen.
            Goudsblom was al bezig om materiaal te verzamelen voor een tweede deel, over zijn volwassen jaren. Hij ging daarbij niet alleen af op zijn geheugen, maar raadpleegde documenten en getuigen, zoals een onderzoeker betaamt. Hij heeft dat vervolg niet geschreven. De ziekte haalde hem in. 
            Op een van de laatste bladzijden van zijn bundel Reserves schreef Goudsblom: ‘Denken aan “de dood” is denken aan degenen die geleefd hebben en er niet meer zijn en aan onszelf die nu leven en er straks niet meer zullen zijn. “Er geweest zijn” – kan het in enige andere taal krachtiger worden gezegd?’

Johan Goudsblom is er geweest voor Maria en voor zijn kinderen Clara en Frank, voor zijn vrienden, collega’s en leerlingen, vaak afstandelijk, soms gereserveerd, maar zich altijd bewust van zijn hechte en intense verbondenheid met de mensen om hem heen. Die bindingen zijn nu verbroken maar blijven in het geheugen.