NRC 21 december 1985

De frik en ik werden op dezelfde dag en op hetzelfde uur geboren. Ik moest bij het begin beginnen, maar frik was op slag drieënveertig jaar en dat is hij sindsdien gebleven.

Aanvankelijk wist frik mij niet te vinden, maar toen ik na een jaar of drie, vier in zijn gezichtskring opdook zag hij dat er aan mij nog veel te verbeteren viel en was hij dadelijk geonteresseerd in mij - ik niet in hem, en dat is altijd zo gebleven.

Mijn eerste tekenwerk al vond hij meteen geknoei. Plaste ik op de mat, frik wou het zonder druppels in de pot. Kladde ik met waterverf, dan wou hij het bijpenselen. Zodra ik met pen op papier begon te schrijven, moest frik zonodig op mijn werkje krabbelen. Schreef ik schuin dan wou hij blokschrift, en blokte ik dan moest het lopend. Hoe ik het ook deed, van frik moest het altijd anders, en dat was net als anderen het deden. Maar anderen zijn er al genoeg, vond ik, en ik was toen nog iets heel nieuws.

Elk jaar ging ik op de eerste schooldag opgewekt bij de andere kinderen in de klas zitten en praatte over alles wat wij in de vakantie hadden meegemaakt. Maar al vóór het speelkwartier moest ik met tafeltje, stoeltje en al naar een verre hoek van het lokaal, met mijn gezicht naar de muur en mijn rug naar de klas.
Ik was te onderhoudend geweest en de meester eiste alle aandacht voor zich op. Maar in mijn verdomhoek bleef ik kunsten maken en 's middags moest ik al de klas uit, op de gang. Daar bleef ik de rest van de dag, en de volgende ook; voorzover ik me herinner, week in week uit en jaar na jaar, tot ik na tien jaar leergangen mijn staatsexamen deed, autodidact dus en nog steeds onverfrikt.

Ik kan alles beter dan de frik, maar frik wil alles wat ik doe verbeteren, hij maakt nooit iets zelf. Het liefst zat hij in mijn werk te krassen. Maakte ik een vergissing, frik maakte het erger en zette met rode balpen een rondje eromheen, als schandmerk.
Maar zelfs als hij niets te vitten vond, geen foutje aan kon strepen, niets aan te merken had, dan schreef hij nog in grote (groene, paarse) inktletters een 'G' voor 'goed' of 'vu' voor 'gezien'. Maar dat was mijn kalligrafie waarop zijn beambtenstempel kwam te staan. Ik had hem niets gevraagd en wou zijn merk niet op mijn werk.

Wat frik niet kent dat lust hij niet, en wat hij niet begrijpt maakt hem alleen maar kwaad. Mijn opstel op zijn bestelling ging over het wereldleed. De ontroering, o, die het bericht van een groot onheil teweeg brengt bij wie, i, ervan kennis neemt, is recht evenredig aan de ernst van die ramp, r, en omgekeerd evenredig aan de gevoelsafstand, d, tot de slachtoffers; ofwel:
oi=f(r/d).

Zoiets had frik nog nooit gezien, niemand trouwens, want het was nooit eerder opgeschreven. Maar frik kraste dwars door mijn formule 'formulitis'. Mag dat zomaar? Ik zit toch ook niet in zijn opschrijfboekje te kladden? En zoiets staat daar heus niet in. Mors ik soms as op zijn pak, spuug ik in zijn glaasje? Welnee, frik knoeit in mijn werk.

Ik beklaag me niet, het kon toen allemaal nog veel erger: internaten, verbeteringsgestichten. Het ergste is achteraf dat het al zo erg was op scholen die helemaal niet erg waren.

Examens en daarna de universiteit. Eindelijk vrij. Jarenlang hield frik zich koest, hij had het blijkbaar nog niet zover gebracht.
Een enkele keer vertoonde hij zich, bedeesd, in andere gedaante. Eén keer herrees frik als mej. drs. in de statistiek. Ik had van alle sommen de uitkomst goed. Maar de formules klopten niet, meende mej. frik: vast en zeker afgekeken. Driftig zat zij in mijn tentamenwerk te krassen, ik herkende de hand. Het rekenwerk was goed, maar de afleiding was anders. Hoe was dat nu mogelijk?
Voor haar kon voor elk probleem maar één berekening bestaan, die ze met zoveel moeite uit haar hoofd geleerd had. Het was een raadsel en ik lachte haar weg.

Gekwetst wiekte phoenix frik terug naar lagere scholen, om met kleine kinderen opnieuw te beginnen. Of misschien was frik voorgoed gepensioneerd, of - er waren nieuwe tijden aangebroken - werden de frikken per metamorfose veranderd in de kwezels die de kinderen niet corrigeren maar begeleiden wilden. Het kan ook zijn dat alle frikken sindsdien zijn opgenomen in het wereldverbeteringswezen, ingezet tegen het roken en het drank- of drugsmisbruik, gemobiliseerd in campagnes tegen afval op straat of transistorlawaai in de natuur, misschien bereiden zij wel in het diepst geheim een geheel nieuwe spelling voor zodat weer een hele generatie betweters hoogtij kan vieren.

Jarenlang was frik uit mijn zicht verdwenen, ik begon mij al onverbeterlijk te wanen. Maar mijn betweter was alleen maar ondergronds gegaan. Ik kwam hem opnieuw tegen toen ik voor kranten begon te schrijven. Daar morrelde hij in het verborgene weer aan mijn stukken. Hij kon mij nog steeds niet zetten, schrapte wat hij niet snapte, maakte gewoon wat raar moest zijn, wist het telkens voor mijn bestwil net iets beter en hield zich al die tijd onvindbaar. Maar zelfs bij de krant zijn de frikken verdwenen, verjaagd door de zetcomputer en de spellingsautomaat. Liever bleef ik voortaan ongecorrigeerd, want mijn eigen fouten heb ik tenminste van mezelf.