NRC 15 juli 1995

Meestal neurie ik binnen mijn kader maar wat voor mij uit, zonder erg op de maat te letten of op het stokje van de dirigent. Maar deze keer ben ik me bewust dat ik meezing in het koor van boze, bange stemmen die klagen over de val van de Bosnische enclave Srebrenica. Zeker is dat die gebeurtenis nog heel lang en ingrijpend zal doorwerken.

Wat zou daarvan het kleinst denkbare resultaat kunnen zijn? De Bosnische Serviërs zullen, eindelijk tevreden, een vredesvoorstel accepteren dat vervolgens de verliezende Bosnische regering door de grote mogendheden wordt opgelegd. In het gunstigste geval blijft van dat staatje dan nog een brokstuk over. Volgt een grote conferentie, waar de integriteit van de reststaat Bosnië plechtig wordt gegarandeerd en de Bosnische Serviërs eens en vooral beterschap beloven. Dat is het kleinst denkbare gevolg, maar niet het gunstigste geval. Want wat gebeurt er dan?

De Bosnische Serviërs hebben dan even voorbij de Oostgrens van de Europese Unie een roofstaatje (ik zeg het aardig) gevestigd, omringd door een reeks landen met een ook al heel vers crimineel verleden: Kroatië, Bosnië en Servië. Daaraan grenzen nog weer wat staten waar de strijd tussen democratie en autocratie, tussen bevelseconomie en vrije markt nog niet is uitgevochten: Roemenië, Bulgarije, Albanië, Dalmatië. (Ik blijf het vriendelijk formuleren). Ook het Grieks buitenlands beleid is nogal onevenwichtig en onbezonnen en over Slovenië is alleen te zeggen dat het zich tot zover muisstil houdt in de plooien van Oostenrijks rokken.
De vraag rijst hoe de lidstaten van de Europese Unie met die landen zullen omgaan. De Europese Unie als geheel heeft daar geen antwoord op, het blijft een zaak van de grote lidstaten. Maar daarachter doemt allang een nijpender vraag op: hoe de landen van de EU moeten omgaan met de brokstukken van de Sowjet-Unie, en bovenal met Rusland.

De Unie wijst die landen beleefdheidshalve niet op voorhand af, maar bij alle gebleken dwaasheid en lamlendigheid blijft het toch ondenkbaar dat ze die nieuwe staten echt allemaal zou opnemen. Eerst komen de 'nette' landen aan de beurt, Hongarije, Polen en Tsjechië, en het wat minder nette Slowakijë, en misschien komt ooit het nog wat minder nette Turkije in aanmerking. De landen in zuidoost Europa komen er nog heel lang niet in.

Maar hoe zal het dan toegaan in die regio, waar een aantal grenzen met geweld getrokken is en her en der de rovers aan de macht zijn?
Als de buitenlandse interventiemacht zich nu terugtrekt volgt in Bosnië een korte, drieste slachtpartij, maar daarmee is het nog niet afgelopen. Er is geen centrale macht of buitenlandse mogendheid die de roofstaatjes nog kan bedwingen, dat hebben ze wel geleerd, en ze zijn dus voortaan aan elkaar overgeleverd. Ze hebben alle reden om hun buren te vrezen en zullen vaak aanleiding vinden om alvast maar toe te slaan. Het zal ze met die voorgeschiedenis en onder gedurige oorlogsdreiging ook niet gauw lukken om hun over te schakelen van een lucratieve oorlogseconomie met roof, afpersing en contrabande naar het vreedzaam bedrijf van landbouw, nijverheid en handel. Rusland heeft er bovendien alle belang bij om in dat smeulende gebied af en toe nog wat te stoken.

Het voormalig Joegoslavië met ommelanden zal dus een haard van onrust, geweld en misdaad blijven. De Europese Unie kan daarop reageren door een brandgordijn te laten zakken, bij de zuidoost grens van Slovenië, sneu voor de Kroatiërs en heel erg treurig voor al die bewoners van de Balkanlanden die ook wel eens een paar levensjaren in vrede, welvaart en vrijheid hadden willen doormaken. Tienduizenden zullen proberen naar de Europese Unie te ontkomen. De humanitaire bevindelijkheid van het westers publiek wordt ook dan nog niet ontzien. Integendeel, het kan nog veel erger worden.

In laatste instantie, op lange termijn, is met Srebenica de rol van Rusland in Europa in het geding. De Bosnische Serviërs zijn de kinderen van Servië en de kleinkinderen van Rusland. In Bosnië wordt per procuratie het voorspel tot de Russische successieoorlog uitgevochten. Als die confrontatie onontkoombaar is, en zeker is dat niet, dan is er veel voor te zeggen om hem dan maar meteen aan te gaan: liever in Bosnië dan aan de Poolse of Hongaarse oostgrens, tegen een paar roverhoofdmannen, liever dan tegen hun tersluikse begunstigers in Belgrado en Moskou. Oorlog als opvoedkundige maatregel: het is wel eens eerder bepleit en geprobeerd. Ik besef dat het een riskante optie is, maar het alternatief van een smadelijke aftocht roept po den duur minstens zo grote risico's op.

Ik ben geen militair expert, maar de militaire experts zijn dat blijkbaar ook niet, te oordelen naar de blunders die ze tot nog toe hebben begaan. Maar het laat zich aanzien dat de Bosniërs met betere wapens zich ter land kunnen handhaven. In de lucht heeft de NATO het overwicht.

Maar de Bosnische kwestie is, gelukkig nog steeds geen puur militaire aangelegenheid, en vooral een diplomatieke. Heet gaat ook niet om de wereldorde, maar om de vrede aan de oostgrens van de Europese Unie. De Verenigde Naties kunnen daar voortaan maar beter buiten blijven. Op dit punt blijkt het ware machtsvacuüm in Europa: er is wel een Eurpese Unie, maar geen Europese eenheid. Het bolwerk van rechtsorde en welvaart is in de kern hol. De rijkdom lokt de buitenstaanders aan, maar de verdeeldheid lokt de buitengeslotenen uit: if you can’t join them, beat them.
Dus vormt de Europese Unie, van buiten glanzend en van binnen hol, in Europa de grootste provocatie.