Over land, een reisverslag

1. Voortrekkers

Jedediah Smith was de eerste blanke die de tocht over land naar Californië volbracht. Tot dat jaar, 1828, was Amerika's westkust van de oostelijke staten gescheiden door twee oceanen: de reizigers uit Boston en New York bereikten Californië per schip over de Atlantische Oceaan, omlaag langs het Amerikaanse continent, rond Kaap Hoorn en weer omhoog over de Stille Oceaan. Sommigen riskeerden malaria en gele koorts en staken de landengte van Panama over, enkelen trotseerden Mexico's regenwouden en bergketens tussen Vera Cruz en Mazatlan. Pas in 1849 begonnen emigranten in groten getale aan de trek over land naar Californië. Het bericht van rijke goudvondsten was doorgedrongen tot de dichtbevolkte staten van het oosten. Burgervaders werden weer avonturiers, opgeschoten jongens zagen hun kans schoon.

De meeste goudzoekers reisden in compagnieën van een man of vijftig met wagens, ossen en muilezels. Zij verzamelden in Missouri, vijftienhonderd kilometer ten zuidwesten van New York, gemeten langs de wegen van vandaag, en vandaar hadden zij zo nog drieduizend kilometer te reizen. De meesten hadden geen idee van woudlopen en pionieren, hun wagens bezweken onder de overlast, hun dieren kwamen om van de uitputting en dan kwam ook het eind voor de trekkers zelf. Ze verdronken in de rivieren, stierven aan de tyfus, of kwamen om bij een ongeluk met de vuurwapens die ze in overvloed hadden meegenomen uit vrees voor de Indianen. De Indianen zelf beperkten zich tot wat ongeregelde veediefstallen. Gedreven door de goudzucht legden de trekkers van 1849 moeizaam het ene karrenspoor over het andere en zo ontstond een heirbaan van kust tot kust. Voor het eerst werd Amerika één ononderbroken landmassa: een continent.

Wie vandaag, een eeuw later, onderweg naar Californië een reisjournaal van de 1849-ers ter hand neemt, heeft niet eens tijd om het uit te lezen voor zijn jet landt in de miljoenenstad Los Angeles. En toch waren de pioniers kort van stof:

'Wij maakten kamp om vier uur 's middags na een dagtocht van achttien mijl. Vandaag zochten we hout en water, maar dat bleek vergeefse moeite.' 'Joseph C. Young uit Montgomery County, Maryland, een lid van onze expeditie is een paar minuten voor zonsondergang aan tyfus gestorven.'

Californië is nog steeds drieduizend mijl ver weg. Dat is vijf koele, klamme uren met de luchtlijn, of vijf, zes dagreizen over de autoweg. De automobilist heeft al die dagen alleen maar het midden te houden tussen de witte streep rechts en de witte streep links, hij rijdt zestig mijl per uur en kijkt in zijn spiegel bij het passeren. Zo glijdt hij langzaam Californië in. Geen ontmoeting of belevenis markeert die reis, er is alleen maar landschap dat geleidelijk van kleur verschiet en alleen maar kromt of kronkelt als een verkeersbord dat uitdrukkelijk toestaat. Wat ook aan de kant gebeurt, reclameborden, autowrakken, op de weg heerst een eerbiedige stilte. Er is zo'n haast om er te komen, dat zelfs de richtingborden weggelaten zijn. Noodgedwongen rijdt de automobilist steeds maar rechtdoor, want zijwegen zijn nauwelijks gemarkeerd: wie daar zijn moet, hoort het al te weten, voor de anderen is het maar afleiding van hun concentratie op het einddoel.

Langs de weg zijn motels en cafetaria's, ontdaan van alle plaatselijkheid, identiek over het hele continent. Een motelkamer is niet een verblijf waar iemand zou kunnen wonen, nadenken of liefhebben, maar een onbestemde ruimte, nog het best beschreven als 'niet-meer-thuis-en-nog-niet-aangekomen'. Een motel of een wegrestaurant is niet 'ergens', het is 'nog niet ergens anders'. Eten is er uitstel van honger, slapen geen nachtrust, maar overnachting tussen twee dagritten. De snelwegen slaan Amerika over. Dan liever de plaatselijke wegen, dwars door stadjes en dorpen, oversteekplaatsen, scholen, landerijen. Dat geeft oponthoud. Maar daar is reizen om begonnen. Tot Californië erop volgt.

Van hier volgt een verslag van de vertraging onderweg, een journaal van de trek over land tot aan de westkust.