Voorbij Chicago begint landelijk Amerika. Rollende vlaktes met maïs en graan in Illinois en Iowa, grasland met zwart melkvee in Nebraska en dan de prairies van Wyoming met hier en daar een drom koeien of een plukje wilde paarden. Naar het westen toe worden de huizen ouder en de dorpjes jonger. De vaderlandse geschiedenis van deze streken heeft nog maar honderd jaar geduurd, het is het verhaal van de uitdrijving van de Indianen, weg van de grazige weiden van het Midden Westen naar de schrale vlakten van Wyoming en eindelijk de woestijnen van Arizona in.

De Shoshones, Mesquakees en Sioux wonen nu op door de regering toegewezen gronden, in poverheid, vaak in armoe, maar onder elkaar. Het westen is boerenland geworden, met de mooiste boeren van de wereld: de cowboys op hoge, versierde laarzen, in spijkerbroeken van Levi's en Wrangler's, met zilver beslagen riemen en met breedgerande gleufhoeden op. In Cheyenne lopen deze boerenknechts RobertMitchum en John Wayne te verbeteren met revolvers in open holsters op de heup, een achter-gindse-verten-blik in de ogen en met de trage lef-pas van de prairieruiter in hun benen.

Cheyenne bestaat honderd jaar en in het stadion wordt een rodeo gehouden, een serie wedstrijden in alle takken van het boerenbedrijf. Bij het wereldkampioenschap stierenvangen met de lasso is Nederland weer eens niet van de partij, geen enkel ander land trouwens, behalve Duitsland met een enkele Kuhbursche. Zelfs onder kampioenen lukt het maar een hoogst enkele keer de stier vanaf een paard in volle draf de lus om de hals te leggen. Maar als het touw om de kop glijdt, staat de stier opeens stokstijf, er schiet een ruk door het touw en cowboy en paard verstijven op hun beurt. Dan in één sprong en met drie, vier grepen is de stier gevloerd en gekneveld, klaar voor een brandmerk of voor de slachthuizen van Chicago.

De boerenjongens uit de ommelanden maken zich nu gereed voor een race met wilde paarden. Drie, vier kerels staan uit alle macht een kwartier te rukken om de beesten naar de start te krijgen en de farmersgezinnen joelen om de paarden nog meer op te hitsen. Als het startschot klinkt, worstelen de cowboys zich op de steigerende paarden, de helpers laten los en de paarden proberen in razende galop en uit alle macht de rijders af te werpen. Binnen vijftig meter smakt de helft van de ruiters tegen de grond. De andere rijders hebben het paard in een wurggreep tussen de knieën weten te krijgen, slaan hun handen rond de hals, zetten hun tanden in de manen en zo houden ze het een volle ronde uit. De enige manier om dan weer van de op hol geslagen beesten af te komen is gewoon loslaten, vallen en van de achterpoten wegdraaien. Zelfs de winnaar kan zich geen triomfgebaar permitteren en rolt voor de voeten van de jury in het zand.

Die avond dansen de Sioux (spreek uit: Soe) in Cheyenne. Ze dragen alle kleren en versierselen die in de speelgoedafdeling van de Bijenkorf te krijgen zijn en het ziet er niet naar uit dat ze erg hun best doen. Alleen hun kinderen schieten links en rechts over het plaveisel om de toegeworpen munten op te rapen. Het publiek geniet. De nobele wilde danst op commando. Het opperhoofd gaat gewillig met de kleintjes op de kiek. Dit zijn Indianen voor geld, maar dat betekent nog niet dat de echte niet bestaan.

Voorbij Rawlins, bij Fort Washakie, ligt in de berm een bord: Shoshone. Wij draaien van de weg af en komen in een verlaten nederzetting. Over de grasvelden is het geluid van een trommel te horen en langs een karre-spoor bereiken we een open plek. Rondom staan, twee rijen dik, meest oude auto's geparkeerd. Een paar donkere jongens rijden landerig op en neer op kleine paardjes. Uit een kring van bomen is met loof en takken een grote overdekte en afgeschutte ruimte opgetrokken. Bij de ingang staat een groep Indianen, gekleed naar de zede van het land in laarzen, werkbroeken en leren vesten, met brede hoeden, in cowboydracht. Wij kijken waar zij naar kijken. Onder het loofdak liggen tegen de wanden in een grote kring een honderd Indianen te dommelen of voor zich uit te kijken. In het midden bewegen groepjes dansers met trage hupjes, naar voren en dan weer naar achteren op het geluid van een grote trommel die beslagen wordt door een man of tien opzij van de ingang. Naast de trommel zitten oude vrouwen op klapstoeltjes, wuiven palmtakken en zingen hoog mee met de trommelaars. De dansers houden fluitjes in hun mond waarmee ze een korte spitse toon uitstoten. Rond hun middel dragen ze kleurige doeken, hun borst is bloot, hun nek omhangen met kralen. De oude mannen tonen het zware lichaam en de brede heupen die het meest directe teken zijn van gewicht. De oudsten dragen het haar lang en in vlechten. De dansers tillen hun gezicht en handpalmen omhoog naar een bisonkop aan een paal in het midden. Soms wordt het slaan van de drum wat luider, maar het blijft een kalm gebeuren op een hete zomernamiddag, iets wat nu eenmaal eens in het jaar gedaan moet worden; het is al duizend jaar te laat om het nog uit te leggen aan wie het niet begrijpt. De dansers gaan terug naar hun ligplaats en roken een sigaret, andere slapers staan op en huppen met kwieke voeten en een lui lichaam heen en weer.

Geen bleekgezicht te bekennen, alleen twee onverstoorbare oude dametjes en wij, die meespelen dat we er niet zijn. Van de dans begrijpen wij niets, het schouwspel komt in losse brokken op ons af, de kralen halskettingen, geborduurde doeken, een bisonkop.

Aha, wij hebben het Amerika van vóór Colombus hervonden! Maar zo eenvoudig gaat dat niet. Achter de trommelaars staan tien Indianen met draagbare taperecorders hun eigen geluid op te nemen. En als de dansers zich aankleden trekken ze gewoon een hemd en een broek aan. Er staan wigwams op het veld, grauwe zeildoeken geslagen rond schuin in elkaar gestoken palen, maar ze zijn aangevoerd in kleine vrachtauto's.

Later lees ik dat dit de Da-goo-win-net was, de mystieke zonnedans van de Shoshone's: Jacht, Weiding van de grond, Dorst. Maar ik heb nooit gejaagd, grond geweid of gedorst. Ik herken andere tekens. Het bouwjaar van de auto's, de slechte tanden van de kinderen, de huiduitslag van de baby's: armoede. Ik kan zelfs zien dat de jonge dansers er niet helemaal in geloven, maar dat ze meedoen, als het al niet uit liefde voor de eigen cultuur is, dan uit afkeer van de onze. In dit Amerika worden de Indianen in stand gehouden in eigen gemeenschappen, maar in karigheid, op schrale grond. Wie beter leven wil, moet blanke gewoonten overnemen of in een blanke wereld van onderop beginnen. Dit land heeft het nog niet kunnen opbrengen één enkele minderheid tegelijk zijn eigenaardigheid én zijn welvaart te gunnen.
Deze Shoshones zijn eigenaardig.