'Rassenhaat' doet denken aan geweld, aan lynchpartijen en aan Ku-Klux-Klan. Moord, brand en verkrachting. Zo komt het op de voorpagina's, zo staat het in de boeken en zo heeft Nederland het ervaren in vijf nazi-jaren. Maar dat was het eindpunt, de totale overwinning van de rassenwaan. De kleine praktijk van alledag ziet er anders uit. Het doordeweekse racisme heeft geen organisatie nodig, niet eens een rassentheorie, zelfs nauwelijks racisten. Het is allemaal een kwestie van stijl, van gevoel voor verhoudingen, van etiquette.

Bijna niemand in het noorden van de Verenigde Staten heeft iets tegen negers. Tegen 'negers als zodanig' dan. Niemand is 'bevooroordeeld'. Maar toevallig blijkt bijna iedereen bezwaren te hebben tegen een bepaald soort mensen, die dan al even toevallig wel allemaal zwart blijken. De Amerikaanse wet gaat discriminatie tegen, de christelijke beginselen zijn er ook al niet hartelijk voor: de oprechte racist heeft het dus moeilijk. En omdat hij meestal niet tot het moedigste menstype behoort, legt hij zijn racisme af en wordt fijngevoelig: Hij heeft niets tegen gemengde paartjes, maar hij zou zijn dochter een zwarte vriend afraden, de achtergronden zijn zo verschillend. Uiteraard zou een neger toegang hebben tot zijn sociëteit, maar het is toch zeer de vraag of de man zich daar zelf thuis zou voelen en het is toch beter om teleurstelling te voorkomen. Het is alles heel subtiel en zeer fijnzinnig.

Niemand wordt een haar gekrenkt. Ieder heeft alleen maar zo zijn persoonlijke opvattingen en toevallig sluiten die de omgang met zwarten uit. Zo is de discriminatie van de negers in Noord-Amerika geworden tot een zaak van goede smaak. Vanzelfsprekend, tot er over gepraat wordt en dan zwijgt iedereen. Elk bezwaar tegen de aanvaarding van de negers is acceptabel, als het maar niet is dat ze zwart zijn. Want dat zou rassenhaat zijn en dat hoort niet meer tot de goede toon. Het is ook niet nodig, want iedereen heeft wel een ander argument om zijn zwarte medeburgers verre van zich te houden. Verreweg het beste argument en veruit het meest algemeen is dat 'het publiek' nu eenmaal iets tegen negers heeft. Daar is niets aan te doen en dus past men zich aan. Zo komen in advertenties zelden of nooit donkere modellen voor. Dat ligt niet aan de reclamemensen, dat zijn progressieve jongens, vervuld van goede wil.

Maar hun opdrachtgevers zouden bezwaar maken tegen negers in reclames. Desgevraagd antwoordt dan de opdrachtgever echter dat hij een vriend is van het zwarte ras, zelfs geld geeft voor de strijdkas, maar dat helaas, zoals de zaken nu staan, het publiek, de kijkers en de lezers, gechoqueerd zouden zijn door een advertentie met een neger. Vraag nu zo'n stuk publiek, een willekeurige krantenlezer-televisiekijker, wat zijn bezwaren dan wel zijn, en hij zegt dat het hem integendeel een groot genoegen zou zijn om de koopwaar te zien aanprijzen door zijn gekleurde landgenoten. Maar ja, begrijp toch, daar kan niets van komen, want in het algemeen willen de mensen er niet aan.

De enquête levert niets op. Alle ondervraagden ontkennen enig vooroordeel. Stuk voor stuk heeft niemand iets tegen de negers, maar naar ieders zeggen alle anderen wel. Ondertussen is het effect hetzelfde: negermodellen verschijnen alleen in advertenties voor een zwarte clientèle, verder is er voor hen geen emplooi. Net zo vergaat het de meeste zwarte verzekeringsagenten, stewardessen, receptionisten, advocaten, handelsreizigers, adviseurs en verkopers. Niemand wil ze uitsluiten, maar ieder ander wel. Sartre zei: 'De hel, dat zijn de anderen.' 

En zo, zonder slag of stoot, aanvaardt elkeen het algemeen racisme nog voor er iets van gebleken is. Of iemand nu de procuratiehouder van andermans racisme is en bij zichzelf dat vooroordeel ontkent, toch zijn, nog vóór ze hem zijn opgedragen, zijn daden die van een racist, nog vóór een ander ze heeft uitgesproken, zijn toch zijn woorden al die van een racist. Ook al schrijft hij die vooroordelen toe aan onbepaalde anderen, zijn gedrag is erbij aangepast, zijn taalgebruik is erop ingesteld. De omweg van 'de anderen' levert hem alleen een nobel vernis van verdraagzaamheid op. Hij blijft racist in woord en daad en is bovendien nog achterbaks.

Met of zonder openlijke racisten, of iedereen het eigener beweging is, of met vertoon van tegenzin uit naam van anderen, het effect is hetzelfde. Amerika is een racistische samenleving. Beschaafde mensen zeggen het graag anders, met meer nuances, met gevoel voor geschiedenis en voor intermenselijke relaties. Maar woorden kunnen aan de feiten niets veranderen.

Om een zaak te beginnen moet de winkelier in spé geld lenen. Maar geen bank zal een neger geld geven, de klanten mochten eens denken dat de bankier zijn geld maar uitleent aan Jan en alleman. De winkelier zoekt een winkel, maar niemand verhuurt hem, de andere huurders mochten eens denken dat de stand van het pand achteruit ging. Discriminatie bij sollicitatie is verboden. Geen nood. Zet een advertentie voor portier met als vereisten: minstens een collegeopleiding, dat is bijna een kandidaatsexamen.

Komt een zwarte sollicitant met veertien in plaats van de vijftien vereiste jaren scholing, dan wordt hij beleefd doch beslist afgewezen. Komt een blanke sollicitant, nooit een universiteit van binnen gezien, dan wordt hij op zijn eerlijke gezicht ingehuurd om tot in eeuwigheid van dagen deuren te openen en te sluiten. Van rassenonderscheid geen spoor te bekennen.

Er zijn subtieler wegen: stel onzinnige eisen en laat ze voor een bleke sollicitant vallen. Zo gaat dat, met duizend variaties; zo werkt de discriminatie in Amerika. Niemand heeft het gedaan, maar iedereen doet mee. En zo blijven de negers wat ze al een eeuw zijn, vrijgelaten, maar niet toegelaten.

Amerika, land van gelijkheid. Amerika, land van vrijheid, individualisme, het is allemaal waar. Maar ook Amerika van racisme zonder racisten. Iets om te onthouden zolang Amerika eraan blijft herinneren.