De meest oorspronkelijke bijdrage van Amerika aan de wereldcultuur komt niet van de jazz, de volksdans of het cowboy-lied, maar vindt zijn oorsprong in de keukenkunst van het mooi-opgemaakte gerecht. De glanzende vleesschotel is het meest geliefde thema van tijdschriftfotografen. Geen dag gaat voorbij of de krant verschijnt met een poëem-recept gewijd aan de bereiding van een monumentaal gerecht. Pas toen Amerikaanse schilders etenswaar tot onderwerp kozen, kregen zij wereldfaam. Andy Warhol vervaardigde gigantische afbeeldingen van broodjes-met-worst en voor het eerst werd de schilderkunst exportindustrie voor Amerika. De pop art was een rechtstreekse voortzetting van de Amerikaanse traditie van 'smakelijkheid'.

'Smakelijk' betekent niet smakelijk eten, maar integendeel smakelijk kijken. Dat is voor een buitenlander het fundamentele en historische misverstand van de Amerikaanse keuken. De schotel is om naar te kijken, niet om van te proeven. Niets wordt nagelaten om elk gerecht zo kleurig, sappig of bros op te maken als maar mogelijk, maar tegen de smaak van eten hebben de Amerikanen een diep wantrouwen. De mooiste gerechten ter wereld smaken naar niets.

Amerikaans eten smaakt half, vaag en flauw. Het lijkt alsof ergens op een lauwe vlakte in een van die vierkante staten in het midden van Amerika een substantie wordt gedolven die vervolgens in boerderijen en fabrieken wordt gekleurd, omgevormd en geëtiketteerd met 'brood' of 'biefstuk' al naar het uitkomt en winstgevend lijkt. Zoals jonge vogels alleen het eten aanvaarden uit de snavel van hun moeder, zo blieven de Amerikanen hun voedsel enkel uit de bek van de machine, voorgekauwd, voorgeslikt en voorverteerd in de voedselfabrieken. Amerika eet alles uit de blikjesmond, de diepvriesbek en de vacuümsnavel: zuigelingenvoedsel voor volwassenen.
 

Het volk wil gevoerd worden. Het kan niet geloven dat voedsel van zichzelf goed smaken kan. Onverwerkte natuurprodukten jagen de Amerikanen angst aan. Alleen in speciale winkels voor organische voeding is eten te koop waar de machine niet met zijn stalen vingers aan is geweest. Maar daar wordt de onverdunde natuurlijkheid weer bezworen door een voedingsritueel met open sandalen en homeopathie.

In Nederland voert een margarinefabrikant de leus: 'Alles wat de natuur u geeft is volmaakt' en slijt daarmee zijn klanten pure namaak. Ook in Amerika bezweert de leverancier zijn klanten dat de koopwaar natuurzuiver en kakelvers is, maar hij stelt ze tegelijk gerust dat ze het niet onveranderd op hun bord krijgen. Eerst wordt de natuur zorgvuldig gepasteuriseerd, geconserveerd, gesteriliseerd, verstevigd en gekleurd. De Amerikanen geloven best dat de natuur volmaakt is, maar dat maakt haar nog niet geschikt voor consumptie. Toen op dit continent alleen nog Indianen woonden die hun voeten veegden na de wandeling en zich vóór het zwemmen grondig wasten, was de natuur nog onbesmet. Maar sindsdien hebben de bewoners dit land bezoedeld. Aldus het gevoel dat steken moet ver achter de uitgesproken gedachten. Dit is een volk van industriëlen die denken dat ze in diepste wezen boeren zijn en dat geeft schuldgevoel.

De natuur is de achtergelaten moeder, de zuivere, zorgende, en beschermende voedster. Amerika heeft zich van haar afgekeerd en gekozen voor een technische beschaving. En al heeft dit land meer natuurschoon dan enig ander, dit volk heeft ook meer verwoest dan welke natie ook. Voor de helft van de Amerikanen is het landschap nu iets om te gaan bekijken, een uur rijden buiten de stad. Natuur betekent in deze onderhuidse gedachtengang hetzelfde als het door eigen schuld verloren, het verraden paradijs. Er kan geen weg terug zijn en het voorwerp van schuldgevoel wekt wantrouwen en lichte angst. Een natuur die zo erbarmelijk geschonden is, kan geen voedsel voortbrengen dat zonder gevaar te genieten is, moet de huismoeder wel denken. Met dat al blijft 'natuurlijk' een aanprijzing die verkoopt in advertenties: 'natuurlijke smaak' en een 'natuurlijk voorkomen'. Maar een 'natuurlijke' appel is er niet eentje die is afgevallen, geraapt en opgegeten. Tezeer overheerst daarvoor het schuldgevoel van de industriële mens tegenover zijn verloren landelijke omgeving. Het gewas en het gedierte des velds zou zich eens kunnen wreken. De appel kan wormstekig zijn, van binnen rot, of zeker, onzichtbaar geïnfecteerd. De hysterische smetvrees, de angst voor bacteriën, die zoveel Amerikanen plaagt, heeft de natuur omgetoverd tot een onzichtbare, alomtegenwoordige en dodelijke vijand. En zo is tenslotte een natuurlijke appel geworden tot een appel gekweekt onder glas, bewaard in diepvries, verpakt in cellofaan. Al tien keer opgegeten en verteerd in alle fasen van kweek en transport, zorgvuldig van alle smaak ontdaan. Het eten in Amerika is gebalsemd en opgemaakt: het heeft de starre natuurlijkheid van een goed opgebaard lijk, alweer: een echt Amerikaans ambacht. Nadat met alle voorzorgen de band van het voedsel met de aarde is gekapt, wordt het de koper bij voorkeur gepresenteerd in de versierselen van het verloren landelijk verleden: met de namen en symbolen uit de tijd van zuiverheid, toen iedereen nog boer was en zijn eigen brood bakte. Dus heet het verpakte fabrieks-brood 'Pepperidge Farm', de voorgekookte rijst komt van 'Oom Ben', en 'Tante Jemina' glimlacht moederlijk op alle pakjes instant-cake. 

Het kan niet anders of het eten waarmee een volk zijn kinderen grootbrengt, heeft zijn effect op het volkskarakter. In een van zijn opstellen beweert de Amerikaanse romancier en schotschrijver Norman Mailer: 'Voedsel bezit karakter. Wij consumeren karakter als we eten.' Dat stempelt dan de Amerikanen tot het weekste volk ter wereld. De feiten werken niet mee aan deze conclusie. De drank heeft Amerika veel goed gedaan.