NRC 4 januari 1997

In deze krant van jongstleden dinsdag voert Peter Michielse een Servische kennis op: 'Een man, zegt hij zelf, in het centrum van alles.' 
De zegsman bespreekt de intieme machtsverhoudingen in Servië. Achter de schermen, beweert hij, beslist niet Miloševic, maar diens vrouw Markovic. Zij is de kwade genius van de Servische politiek. Ze leidt een eigen partij, de JUL, die bestaat uit politieke terroristen: 'Iedereen die met de politie in aanraking komt, gaat naar de JUL en vindt er een baan en bescherming.' Die zegsman maakt op mij de indruk van een fantast, maar dat geeft zijn woorden alleen nog maar groter gewicht, want het gaat hier verder over politieke fantasieën.

De grondgedachte is: achter de machthebber gaat nog een andere macht schuil. De heerser zelf is minder kwaadaardig dan hij lijkt en minder machtig dan men zegt. Het kwaad wordt in het diepst geheim aangesticht door iemand anders, door zijn gemalin, een verborgen, boze fee.

Dat wordt blijkbaar beweerd van Markovic en haar Miloševic. Net zoiets vertellen welingelichte kringen over het vorige regime in Rwanda: President Habyarimana had zich daar in 1994 ten lange leste bekeerd tot het compromis (het akkoord van Arusha), maar het was zijn gemalin, Agathe Habyarimana, die dit wist te verhinderen en het was 'le clan de madame' die na grondige voorbereiding nu de leiding nam bij de genocide. 
'Mevrouw Habyarimana had zich als de beste speler naar de top weten te werken; zij was de echte heerseres van het land, niet die grote umugabo van een echtgenoot.' Zo vat Gérard Prunier het samen in The Rwanda Crisis; History of a Genocide (London: Hurst, 1995, p. 351). Over de rol van mevrouw Habyarimana en haar paleiskliek is na hun nederlaag vrij veel uitgekomen en de weergave van Prunier, de standaardversie, zal veel elementen van waarheid bevatten. 

Het verhaal van de boze fee achter de troon komt veel vaker voor: 'Denk aan Eva Perón, Jiang Qing [de weduwe Mao], Elena Ceausescu, Winnie Mandela, Imelda Marcos, Nexhije Hoxha en nog andere gemalinnen die er bijna in slaagden hun echtgenoot te verdringen.' 
Deze opsomming komt uit een prachtig artikel van Anton Blok over vrouwelijke heersers (in: Jojada Verrips, red., Transactions. Essays in Honor of Jeremy F. Boissevain, Amsterdam: Het Spinhuis, 1994). Waar een vrouw aan de macht is dat, in elke samenleving weer op een andere manier, in tegenspraak met de ondergeschikte positie die voor vrouwen gebruikelijk is. Die tegenspraak tussen de heerschappij van een bijzondere vrouw en de algemene vrouwelijke onderschikking wordt in de regel opgelost door de heersende vrouw te behandelen als een soort 'honoraire man', schrijft Blok. Zij wordt dan bekleed met mannelijke attributen en ontdaan van al die eigenschappen die juist met de vrouwelijkheid worden geassocieerd. Als de leidsvrouwe al niet als maagd door het leven ging (Jeanne d'Arc) of weduwe was (Indira Gandhi), dan werd toch haar moederschap en haar huwelijkse staat weggewerkt door de kinderen en de echtgenoot op de achtergrond te houden. 
Daarmee kan de onderschikking van vrouwen aan mannen verder onaangetast blijven. Heersende vrouwen zijn dus 'eigenlijk' mannen. Voor hun echte mannen rest dan in de verbeelding slechts een ondergeschikte positie die in strijd is met de overheersende plaats die mannen in het algemeen innemen. Zo'n echtgenoot moet 'weg' uit de gedachten en als hij zich niet laat wegdenken raakt hij in het nauw. De theorie van Anton Blok bevat de kern van een verklaring voor het treurig of omstreden bestaan van de prinsen-gemaal van de Nederlandse koninginnen in deze eeuw.

Maar hier gaat het over een variant: de vrouw heerst niet op eigen gezag, maar oefent in feite de macht uit die formeel is opgedragen aan haar echtgenoot.
Zou dat nu waar zijn van Markovic en haar Miloševic of van de familie Habyarimana? Het antwoord komt in drieën: Nee, een beetje, en ja. 
Om te beginnen 'nee': Eerst moet de fantasielaag worden afgekrabd. Van tirannen willen de mensen graag geloven dat ze in wezen goed zijn. Nog op het schavot geloofden de getrouwe communisten dat Stalin niet van hun liquidatie wist; zelfs in de kampen van de Goelag weenden gevangenen om Stalin's dood, want als Hij geweten had wat hun daar werd aangedaan zou Hij zeker ingegrepen hebben. De hoofdletter staat hier niet toevallig, de wens om Hem als goedertieren voor te stellen wordt heftiger naarmate Hij heviger tiert.
Habyarimana wordt omschreven als een goedzak, de zegsman van Michielse voert Miloševic op als iemand die voor het compromis 'uiteindelijk zelfs meer heeft gedaan dan van hem geëist werd.' De ellende is aangericht door de slechte vrouwen achter de troon. Dat is dus de noodzakelijke kunstgreep in de wensfantasie dat de macht in wezen goed is, het is een verklaring van het kwaad, een wereldse theodicee.

Maar vervolgens is die uitleg ook een beetje waar: onder de fantasielaag zit een tweede niveau: de tiran is zelf manipulator van fantasieën. Het komt hem goed uit om in eigen kring een zondebok in reserve te houden. Niet hij, maar zijn gemalin met haar verderfelijke schoonfamilie heeft het kwaad gesticht. De tiran is zelf medeplichtig aan de volksfantasie over zijn echtgenote als boze fee. Sterker nog, het komt de tiran goed uit om aan zijn gemalin en haar paleiskliek ook metterdaad de kwade zaken van corruptie en terreur over te laten. Zij zijn dan de procuratiehouders van het kwaad.

Op dit derde niveau wordt het verhaal wáár: de gemalin ontleent haar macht niet alleen aan de positie van haar echtgenoot maar is zelf een machtsfiguur van belang, zij leidt een clan (mw Habyarimana), of heeft een eigen machtspositie weten te bevechten in een politieke beweging (mw Markovic). Ook dan houdt de fantasie vol dat zij alleen de boze fee is en hij niets dan een goede leidsman.