NRC 19 oktober 1985

Ik kan nu even geen stukje schrijven want in de tuinen gilt een sirene. Die is daar aangebracht ter beveiliging van de eigendommen van de huidarts tien huizen verderop. Maar het alarm klinkt alsof het operatief onder mijn schedel is ingebracht. Een onophoudelijke doodskreet, nauwkeurig afgesteld op de golflengte en de frequentie van het paniekcentrum in de hersenen, een schreeuw die telkens opnieuw opwelt, onvermoeibaar aangedreven door de netvoeding. Alsof een robotmoeder haar electronisch kind ontrukt wordt, en zij het uitkrijst, bij elke stroomcyclus van voren af aan. Mood engineering in de hel.

Het gebeurt wel vaker, maar het went nooit. Het is gemaakt om nooit te gewennen. Soms begint het ding ineens te brullen maar verstomt al snel, dan is de assistente blijkbaar door het infra-rood gelopen en komt de dokter op een holletje met de sleutels om het gejank uit te schakelen; er volgt nog één gegeneerd electrisch kuchje en dan valt het stil. Maar op zaterdagen begint de sirene uit zichzelf: die voelt zich dan kennelijk alleen en zet het op een krijsen. De hele buurt weet dan dat de dokter niet goed op zijn sirene past, maar niemand denkt aan onraad want daarvoor is het signaal al te vaak loos gebleken. Het alarm zelf is de aanslag geworden, zoals de sirenes die elke eerste maandag van de maand loeien zelf overval geworden zijn en allang niet meer waarschuwing.

De politie komt pas na een uur of wat eens kijken en dan nog alleen na veel aandrang van buren die buiten zinnen raken. Was ik een dief, ik trok me van de geheime stralingsvelden en de verborgen sensoren waarmee het gegil wordt ingeschakeld, geen snars aan, want niemand reageert erop, de politie niet en de eigenaar zelf al helemaal niet. HH. inbrekers, hier is uw kans. Waar het inbraakalarm klinkt is voor dieven alles veilig.

Er is een vreemde overeenkomst tussen deze terreur van de teveel bezittende klasse en de plunderaars tegen wie zij zich verdedigt: de onbekommerde schaamteloosheid.
Als op de gracht de schemering valt verschijnt de wijkjunk om op zijn gemak de geparkeerde auto's na te lopen, hij gluurt eens door een ruitje of er iets van zijn gading in ligt, morrelt wat aan de portieren en slaat hier en daar een ruit stuk of forceert een slot. Met de radio's, de camera's of de portefeuilles in zijn plastic tas schuifelt hij naar de volgende wagen om zijn inzameling voort te zetten.

Niemand valt hem lastig, al wordt hij soms wel eens in zijn werk onderbroken door de politie als iemand de moeite heeft gedaan om te waarschuwen. De agenten nemen hem dan mee naar het bureau en wat daar gebeurt weet ik niet, maar na een dag of wat verschijnt hij weer om door te gaan waar hij gebleven was. Het beste is maar om niets in de auto achter te laten en ook de portieren niet af te sluiten, want een opengebroken slot alleen al kost zoveel dat een eerzame junk er twee dagen van had kunnen spuiten of een bijstandstrekker er een maand van zou kunnen eten.

In de winkelstraat om de hoek werkt de fietsendief, ook een toegewijd ambachtsman. Hij kuiert de straat op en neer met priem, tang en schroevendraaier onder zijn leren jekker. 'Hier geplaatste rijwielen worden verwijderd'. Daar zorgt dus de straatverslaafde voor. Als de bezitter van de fiets te vroeg een winkel uitkomt en de fietsendief stoort in zijn werk kan hij een grauw krijgen en anders nog een messteek. Het kan immens knus wezen in zo'n oudestadsbuurtje.

Omdat een gros heroïnegebruikers op deze wijze in hun onderhoudsdosis voorzien, moeten een paar honderdduizend mensen elke dag behangen met ketenen, beugels en sloten als dwangarbeiders door de stad zeulen.

Maar dat is allemaal heilige onschuld vergeleken bij de rovers die werken met knuppel, mes en revolver. De juwelier heeft al een paar jaar geleden, volledig invalide geslagen, zijn zaak verkocht. De diamantslijpers drie huizen verderop hebben na vier berovingen met zwaar geweld hun werkplaats naar een andere buurt verhuisd. Ik mis ze, want bij elke voorbijganger keken ze even van hun werk op om een buur of bekende te groeten en nu is van het ambacht op de gracht helemaal niets meer over.

'En de politie doet er niets aan', verwacht de lezer nu. Maar dat is niet helemaal waar. Ze willen best komen als er opgebeld wordt en ze patrouilleren ook nog wel eens, maar ze moeten hun arrestanten meestal laten gaan, bij gebrek aan bewijs of bij gebrek aan cel. Op ditzelfde moment zijn drie agenten, een in burger, een in broek en een in rok, door de tuinen aan het sjouwen, ze klauteren over de ene schutting na de andere om het fort te bereiken waar de huidarts zijn bezit in absentia verdedigt tegen al even afwezige dieven. Zij zijn nu al een half uur bezig zijn gilding uit te schakelen. Maar de ladder blijkt één tree te kort om erbij te komen en het gejank blijft duren. Het schreit ten hemel.

De vijand van mijn vijand is blijkbaar ook mijn vijand.
De dievenjager is zelf dief van andermans rust, van de stilte die van allemaal is en waarvoor elke buur apart zich het genot ontzegt van eigen, particulier en geliefd lawaai. Niet dat de dokter nu zo van sireneklanken houdt, zelfs dat niet; hij laat maar loeien. Zijn huis kookt over en er is niemand thuis.
Eindelijk arriveert de brandweer acht man sterk met groot materieel. Die arm reikt net iets hoger en het geluid valt uit.

Ook verschenen in: Het lied van de Kosmopoliet, Meulenhoff, 1987