Een citaat: 'Elke Amerikaanse infanterist die terugkeert van zijn jaar in Vietnam zal de hoogste lof bewaren voor het M-16 geweer, de Claymore-mijn en de M-79 granaten-lanceerder. Deze drie tamelijk simpele hulpmiddelen hebben meer gedaan om de Amerikaanse soldaat in het gevecht te steunen dan alle andere wonderen bij elkaar.
De M-i6 wordt niet alleen gewaardeerd omdat hij weinig weegt, maar ook om zijn opmerkelijke precisie op korte afstand en om zijn grote bedrijfszekerheid. Met zijn kleine magazijn is het toch een effectieve doder, temeer geliefd om zijn uiterst gering gewicht, De Claymore wordt gewaardeerd om zijn stevigheid, zijn licht gewicht en eenvoudige bediening. Hij treft met de precisie van een geweer en doodt een mens tot veertig meter in de omtrek. De M-79 weegt niet meer dan een stuk kinderspeelgoed en is heel effectief gebleken bij het uitdrijven van scherpschutters uit hun mansgaten op een afstand van enige honderden meters.' Dat is het zondagse ontbijt in de World Journal Tribune, geserveerd door brigade-generaal Marshall. In lange tijd is zulke taal niet meer vernomen. Het is het liefdevolle idioom van de echte vakman. De specialist in het doden, opblazen, verpletteren en platbranden. Lange tijd had zijn ambacht aan aanzien verloren, maar nu is hij weer opgenomen in de kring der fatsoenlijke burgers. Het betreft hier immers een rechtvaardige onderneming.

'Het grootste land ter wereld heeft het gemunt op de vrijheid van een klein, zwaar-beproefd maar dapper volk. Door middel van een gewetenloze marionetten-regering stuurt het zijn terroristen het land in om dood en verderf te zaaien onder de boerenbevolking.' Dit is althans de officiële Amerikaanse versie, het grote land heet China, de marionet Ho Chi Minh, de Vietcong zorgt voor de terreur.
De officiële communistische versie is dezelfde: de grote mogendheid heet Amerika, de zetbaas noemt zich Ky en de terreur komt uit de lucht met napalm, strijdgas en fragmentatiebom. De gelijkvormigheid is volkomen. Met één verschil: er zijn in Vietnam geen Chinezen, wél Amerikanen. Een half miljoen. In vroeger tijden, toen een eenvoudiger bewijsgang gold, was zoiets opgevat als een beslissend feit. Maar in de oorlog om Vietnam tellen de feiten niet zozeer als de grote lijnen; dan valt niet te ontkennen dat 700 miljoen Chinezen staan opgesteld in het gebied ten noorden van Hanoi. De Amerikanen daaraantegen houden hun 200 miljoen bescheidenlijk in positie op een ander halfrond. Ergo: China is de agressor, althans voor wie kan denken in historische proporties. Voor wie daarin niet zo bedreven is, heeft, zolang de oorlog duurt, het kwaad gewonnen.
Sinds de stichting van de Republiek heeft geen vijand ooit Amerika's kusten bereikt. Na een eeuw vrede binnen eigen grenzen en niets dan overwinningen daarbuiten, is de oorlog in Vietnam voor de Amerikanen nog steeds niet helemaal een feit. De grote lijn staat iedereen al twintig jaar voor ogen: Amerika bestrijdt de Bolsjewiek; vrijheid tegen knechtschap. Maar daarmee is de realiteit nog niet doorgedrongen tot de afzonderlijke Amerikaan. De gruwelfoto's vannapalm-lijken en gefolterde Vietcongsoldaten vallen niet zo op in die zondvloed van geweld, marteling en misdaad die zó al dag in dag uit door de kranten en over het beeldscherm gaat. De Vietcong is nog niets vergeleken bij de vijanden van Superman, en de Mongolen uit de stripverhalen zijn veel angstaanjagender dan die in de nieuws j ournaals.
De oorlog in Vietnam is voor het Amerikaanse publiek niet helemaal echt. Hoe zou het ook! In het leven van alledag is niets veranderd. De financiële druk is nauwelijks merkbaar. Het zijn de bejaarden, de invaliden, de ongeschoolden, de krotbewoners, de armen op wier onderhoud het eerst bezuinigd wordt. Hun protesten blijven in dit rumoerige land onopgemerkt en klinken ze al te luid, dan is er sprake van een rel, aangewakkerd door extremisten. De gevallenen in Vietnam zijn meest jonge jongens die alleen echt tellen voor hun ouders, hun broer of zuster en hun liefje. De dood van een soldaat grijpt in het leven van misschien vier mensen: zij begrijpen opeens dat het oorlog is. Op dit ogenblik zijn in Vietnam tienduizend Amerikanen gesneuveld. Voor vijftigduizend mensen is daarmee de oorlog ernst geworden. Voor twee miljoen anderen is het de bron van zorg en angst om hun verwanten in Vietnam. Maar de moeders en de weduwen keren zich niet en masse tegen het beleid. Integendeel, al duizend jaar hebben de generaals de sluier bij de hand om haar gewonde werkelijkheid mee af te dekken: de soldaat is niet voor niets gestorven, maar voor Amerika's victorie. De strijd moet juist nog verder uitgebreid. Hier vertoont de beschaving zijn hoogste kunststuk: moeders en vrouwen veranderen hun verdriet in oorlogszucht. De andere 190 miljoen Amerikanen lezen de krant, kijken naar het nieuws en zien dat het maar niet vlotten wil, dus raken ze geïrriteerd. Dat is Amerika's emotie in deze oorlog: geen haat, geen geloof, maar ergernis. De Vietcong irriteert de Amerikanen. De expeditie naar Vietnam was begonnen omdat zoiets hoort bij de privileges van een wereldmacht. Een groot land mag van tijd tot tijd een hoekje van de wereld gaan inrichten naar eigen smaak. Een nationaal-communistisch interieur stoort het Amerikaanse stijlgevoel en dus moest het in Vietnam vervangen door een inrichting naar Amerikaans ontwerp. Het is de bewoners daarbij toegestaan zich lichtelijk te verzetten, om hulp te roepen en met mate te saboteren, maar het gaat niet aan om dat vier jaar vol te houden. Buitenlandse expedities horen tot de luxes die grote landen zich moreel en materieel menen te kunnen permitteren. Maar geleidelijk begint het te dagen dat zelfs Amerika zich de Vietnamese actie niet kan veroorloven. Daarom moet de oorlog snel tot een einde gebracht worden. Tot nog toe was daarvoor telkens een 'heel kleine' uitbreiding noodzakelijk en dan zou het gezwind zijn afgelopen. Nu lijkt de volgende 'heel kleine' uitbreiding een wereldoorlog, waarna het inderdaad zeer gezwind afgelopen zal zijn. Amerika is niet gebouwd op langdurige ondernemingen die niet worden geschraagd door de strijdlust en het geweten van de natie. De moloch durft nu vooruit noch achteruit, maakt dus pas op de plaats en vertrapt zo elke dag honderden mensenlevens. Amerika begint tegen zijn zin de oorlog te proeven in de kranten, in de verkiezingen, op de scholen en in de getto's. De discussie kon niet gesmoord in vaderlandsliefde. Alles kan nog steeds gezegd worden en alles wordt gezegd, niet alleen door buitenstaanders, maar aan de top en midden in de politiek. Zo steekt Amerika nog gunstig af bij Nederland ten tijde van het door een achterbakse leidersgroep doodgezwegen rot-oorlogje in Nieuw-Guinea. Toen behoedde Amerika Nederland nog voor erger flaters. Er is niemand die Amerika van misgrepen kan vrijwaren. Alleen de Amerikanen zelf, in openbaar debat. En het debat gaat voort. Dat geeft weinig troost, maar tenminste hoop.

Achteraf

Achteraf:
Een staatje van de sterkten en de verliezen van de VS-troepen in Vietnam:

 

Troepensterkte per

31 december

doden

gewonden

1961

3.164

11

-

1962

9.865

31

81

1963

16.500

78

411

1964

23.000

147

1.039

1965

181.000

1.369

6.114

1966

389.000

5.008

30.039

1967

453.000

10.000

23.687

(New York Times, 26 mei 1967)

Hoe meer soldaten, hoe meer gesneuvelden. Dat ligt in de orde der dingen. Maar de volgende, ruw afgeronde, cijfers liggen minder voor de hand.
Verhouding gesneuvelden-overlevenden onder VS-troepen in Vietnam (afgerond en op basis van de troepensterkte per 31 december):

1961

1 gesneuvelde

op

300

soldaten

1962

1 gesneuvelde

op

300

soldaten

1963

1 gesneuvelde

op

200

soldaten

1964

1 gesneuvelde

op

150

soldaten

1965

1 gesneuvelde

op

130

soldaten

1966

1 gesneuvelde

op

78

soldaten

1967

1 gesneuvelde

op

45

soldaten


Conclusie : hoe meer Amerikaanse soldaten in Vietnam worden ingezet, hoe groter het risico voor elke soldaat. Na zes jaar is het aantal troepen 150 keer zo groot, maar het sterfte-percentage is bijna verzevenvoudigd : het verwachte dodencijfer is dus 900 keer dat van 1961. Wat de Amerikaanse aanwezigheid in Vietnam ook bewerkstelligt, het minst van al de veiligheid van de aanwezige Amerikanen!