NRC 23 november 1985

In volle vredestijd en in alle sociale zekerheid, geen vulcaan die rommelt, geen dijk die op breken staat, alles is veilig, alles is gemoedelijk, maar op een stil perron ergens in Nederland, vlak onder de elektrische klok, schreeuwt iemand het uit van paniek, hij wringt zijn handen, grijpt in zijn jasrevers, wil zich de haren uitrukken, rommelt als een bezetene in de paperassen die hij met zich meedraagt in zijn tas: 'Het was toch in het Gemeenschapshuis in Deventer, hier moet het staan, ik heb vanmorgen nog gekeken, om twaalf uur precies. Ik weet het zeker. Ben ik nou gek?' Hij staart vertwijfeld naar de uitnodiging en leest alsof het zijn eigen doodvonnis is wat daar staat. Maar de terechtstelling is al voltrokken. Hij werd diezelfde morgen, inderdaad, verwacht: om elf uur. Dat is nu precies twee minuten geleden, maar ook acht kilometer verderop. Hij ziet voor zich een zaal, hij is telepathisch van wanhoop: naast het boeket van droogbloemen op het podium staat de voorzitter die de aanwezigen welkom heet en nog maar eens welkom en vervolgens, in steeds tragere bewoordingen de spreker voor die ochtend aankondigt, speurend in het halfduister van het middenpad, '...nu toch ieder ogenblik verwachten, gisteren nog komst bevestigd...'

De voorzitter zoekt een stemmig grapje en de wanhopige, een uur gaans verderop, zoekt met hem mee; er wordt nog maar eens een mededeling herhaald, de rechten die aan de lunchbon zijn verbonden worden uitvoerig opgesomd, in het publiek is hier en daar gegiechel te horen en van achter uit de zaal gebaart de penningmeester met brede armzwaaien dat er niets te bekennen is, niemand in aantocht.
De voorzitter, net nog zo pront, valt stil, verstart en loopt mompelend in zichzelf het podium af dat leeg de zaal aanstaart. Nu gebeurt er niets meer, behalve dat een verongelijkt gezoem klinkt, dat in de oren van de afwezige oplaait als een orkaan van verontwaardiging en beschuldging. Alleen op zijn perron krijst hij het uit van haat, hij maakt een sprongetje als om zichzelf te schoppen.

Rustig aan, kalmte, overleg. Een kwartier te laat, vergissing, vertraging, kan iedereen gebeuren, taxi, waar is een taxi? Hij kan er toch in tien minuten zijn... Een kwestie van minuten, maar voor hem verglijdt de tijd nu niet meer maar stormt op hem aan als een tankcolonne die hij, met een ontzaggelijke wilsinspanning, alleen moet tegenhouden.

Hij ziet om zich heen: een dorpsstation op een zaterdagmorgen, geen taxi, tram, bus of auto in de buurt, een vrouw met kinderwagen tegen wie hij hijgend onzin schreeuwt, zij weet van niets, begrijpt hem niet, en nog voor zij uitgesproken is begint hij te hollen, in het wilde weg, zijn tas tegen de borst gedrukt, zijn winterjas die traag tegen zijn pas in slaat, hij rent in doodsangst om ergens, nog op tijd, te komen en wij laten hem in zijn vertwijfeling gaan.

Dames en heren, de patiënt die wij u zojuist gedemonstreerd hebben verdient niet uw harteloos en studentikoos gegniffel. Hij is een mens zoals u en ik, vergeet dat nooit, hij is alleen maar wat verstrooid. Hij is, zoals dat heet, vergeetachtig.

Kijk hem nu eens aan: in zijn borstzak een agenda, in zijn zakdoek een knoop, en hier, mag ik even, in zijn portemonnaie een extra briefje met rode viltstiftletters, voilá: !!! ZA 19 OKT 11U DEVTER GENSCH BI ZA !!!!!'

Het heeft alles niet gebaat. Toch staat hij bepaald niet alleen in het gevecht met zijn handicap. Ik hoop dat de overheadprojector het vanmorgen nu eens wel doet, ja zeker: daar zien wij de twee vrouwen in zijn leven, zijn secretaresse en zijn echtgenote, de een van negen tot vijf, de ander van vijf tot negen, vierentwintiguursverzorging geniet hij. Me dunkt, er wordt op hem gepast.

Langzamerhand komt hij tot zijn positieven, juist wil hij de hoogleraar toeknikken en een paar ironische opmerkingen maken over zijn druk bezet bestaan, zijn hoofd dat omloopt, maar vóór hij een woord kan uitbrengen slaat hij zichzelf voor het front van de collegezaal met een daverende klap voor de kop. Hij had nu, net op dit allereigenste moment, zullen gaan lunchen bij een hoogbejaarde kennis die dus aan een gedekte tafel met een keur van gerechten op hem zit te wachten. Hij is sprakeloos, hij is niet waard dat hij leeft, hij bidt dat voor één keer hem het voorrecht van de heiligen gegund wordt, het wonder der bilocatie, dat hij op twee plaatsen tegelijk mag zijn.

Zijn eigen schuld, zo is het. Maar waarom, waarom doet hij zich dit aan? Hij heeft toch heel zijn leven ingericht op de bestrijding van zijn vergeetachtigheid. Inkomende post wordt nauwlettend ingedeeld, afspraken aangestreept in alarmkleuren en prompt genoteerd in zijn zakboekje, gekopieerd in de kantooragenda, dagelijks wordt hem een lijst van verplichtingen overgelegd, stickers met reminders zijn geplakt op de achteruitkijkspiegel van de auto, de hoorn van de telefoon, de achterkant van zijn scheerapparaat. Hij wordt gebeld, herinnerd, gewaarschuwd, gememoreerd door een staf van bezorgde huisgenoten en medewerkers.

Voor het slapen gaan loopt hij zijn afspraken nog eens door, nee er kan werkelijk niets misgaan, zijn geheugen wordt in elk hoekje en gaatje permanent bewaakt door zijn innerlijke veiligheidsdienst.

Toch niet genoeg: in hem woont een geheim agent, vijandige machten hebben diep in zijn binnenste een mol geplaatst. Het kan weken, maanden goed gaan, maar als heel even ergens in zijn geheugenruimte de waakzaamheid verslapt dan slaat de saboteur toe en verandert de gegevens. Zelf merkt hij niets en spoort verder langs de perrons van zijn bestaan tot hij opeens de verkeerde wissel neemt en weer te pletter loopt.

'An inside job', zeggen de specialisten: sabotage van binnenuit, gepleegd met volledige kennis van zaken. En langzamerhand wordt de verdenking sterker, de conclusie onontkoombaar: de saboteur dat is hij zelf.

Maar wat beweegt of wat verlamt een mens om zo zichzelf dwars te zitten? Dat is zijn dienstgeheim.Het verhoor wordt voortgezet.

Ook verschenen in: Het lied van de Kosmopoliet, Meulenhoff, 1987