NRC 1 maart 1997

Waarom zou iemand nu nog over de psychoanalyse beginnen? Daar moet toch een aanleiding voor zijn. Als die niet van buiten komt, dan moet ze wel van binnen zitten. De auteur heeft een probleem en denkt dat het de psychoanalyse is. 

Dat is in één zin de psychoanalytische visie.

Sigmund Freud spookt nog steeds rond. Een hele generatie van antipsychiaters en pillenpsychiaters, toverdokters en geestenbezweerders, hagiografen en antibiografen heeft gepoogd hem voorgoed zijn graf in te schrijven, maar bij de eerste beste verspreking wordt hij er als betweter weer bijgehaald.
Dat komt omdat Freud interessant blijft en omdat alles wat hij aanraakte interessant werd. En hoe komt dat?
De Freudiaanse toverspreuk is eigenlijk heel eenvoudig, het is de standaardformule: achter alles wat de mensen zeggen en doen gaan verborgen redenen schuil, redenen die anderen hoogstens kunnen gissen en die de mensen zelf vaak niet eens weten, ja vaak heftig zouden ontkennen als ze hun voorgehouden werden. 

Er zijn minstens twee wereldbeschouwingen die er net zo over denken: de ene, laten we die de metafysische noemen, ziet mensen voortgedreven door buitenaardse, bovenmenselijke machten, dat kunnen bosgeesten zijn, of bijgoden, de particuliere gratie, de voorspraak van de moedermaagd, het noodlot, of de wereldgeest. 
De tweede wereldbeschouwing, laten we die de metamaterialistische noemen, oogt wat moderner. Ze zocht het ooit in de sappen, wat later in de klieren en vindt het tegenwoordig in de genen en neuronen: biologie is lotsbestemming. 

In de eerste raadselleer moet een hele geestenwereld, een godenrijk, een opperwezen met theodicee bedacht worden om uit te leggen waarom de mensen zich zo vreemd gedragen als ze zo vaak doen. In de andere leer hoeft veel minder verzonnen te worden: die sappen waren een eerste, ruwe maar treffende aanduiding, die klieren zijn er echt, genen en neuronen kun je zelf onder de microscoop bekijken. Maar in de kern van deze leer zit een vreemd, zwart gat, een gebrek aan fantasie. Er moet eigenlijk nog iets bij verzonnen worden: wat maakt dat die genen en neuronen in wisselwerking met de wereld om ze heen zo op elkaar inwerken dat mensen er zinvolle en dus ook onzinnige gedachten aan overhouden, en zich navenant uiten en gedragen? Hoe hebben de neuronen daartoe geprest door de genen een hand (de mijne!) dit stukje laten schrijven? Nou ja, dat kan misschien nog wel. Maar hoe hebben genen en neuronen ooit iemand de metamaterialistische mensbeschouwing ingegeven?

'Zonder fosfor geen gedachten' was de vroege en kernachtige formulering van het metamaterialisme. Maar mèt fosfor meestal ook niet. De metafysica verzint teveel, het metamaterialisme verzint te weinig voor een verklaring van het menselijk gedoe.
Freud was een metamaterialist. Hij dacht dat uiteindelijk al het menselijks tot de biologie te herleiden zou zijn. Vóór het zover was, moest een tussenschakel worden gevonden die de mens als voortplantings- en stofwisselingsmachine in verband kon brengen met mensen als op iemand verliefde, door een ander beledigde, op weer iemand anders jaloerse wezens, als schilderende en dichtende, als grappen makende en dromende wezens. 

Kortom, hoe kom je van die klieren tot mensen zoals u en ik?

Dat blijft de kloof die het moderne denken in tweeën deelt. En dat was de breuk die Freud wilde dichten. Daartoe ontwikkelde hij een leer (en een praktijk): de psychoanalyse. Eigenlijk creëerde hij twee leren. De ene werd aan de biologie gekoppeld, dat was de leer van de driften. De andere werd op menselijke uitingen toegepast, behelsde een duidingsarsenaal en een gesprekstechniek, en haakte aan bij de psychologie. De kloof tussen biologie en beleving werd daarmee misschien wat versmald, maar zeker niet overbrugd. Na verloop van tijd tekende zich precies langs de oude breuklijn in het Freudiaanse stucwerk een barst af. 

Die Freudiaanse driftleer zou heel goed kunnen worden uitgeschreven als een computerprogramma met wilde, begerige, hongerige en agressieve driftendragers. Hoe lang die computersimulatie ook draaien zal, nooit zal er iets uitkomen dat in de verste verte lijkt op het zinvol gedrag van mensen die zich met elkaar proberen te verstaan. 
Eenmaal gehuld in zijn indrukwekkende metamaterialistische mantel ging Freud dan ook iets heel anders doen: hij probeerde vreemde, onverwachte menselijke gedragingen te verklaren met vertrouwde en voordehandiggende menselijke overwegingen, vanuit de al even vertrouwde en voordehandliggende grondgedachte dat mensen vaak onoprecht zijn, ook tegenover zichzelf. 
Hij was de eerste niet die dat deed, maar hij was er wel uiterst bedreven en vindingrijk in. Veel Freudiaanse psychologie is sindsdien gemeengoed geworden, verwaaid als alledaags inzicht in de medemensen (en soms zelfs zelfinzicht). Ook op dat niveau doet zich een probleem voor: blijkbaar kunnen mensen verschillende dingen tegelijk willen en vaak hebben ze dat van zichzelf niet eens door. Dat lijkt mij een heel realistisch uitgangspunt, maar ook een inzicht dat moeilijk te verenigen is met een heldere theorie van het bewustzijn: een zorg voor filosofen, meer dan voor de praktizijns van de psychoanalyse.

Freuds belang ligt niet in zijn goede karakter: nu elk detail in zijn bestaan zorgvuldig is uitgeplozen blijkt dat hij een sloddervos was en een jokkebrok, en erger ook weer niet. Naar morele statuur was hij een kopje kleiner dan Darwin en twee hoofden groter dan Marx. 

Freud blijft fascineren omdat hij een van de beste mensenkenners was, die ook nu nog telkens de verwachting weet te wekken dat hij iets te melden heeft wat mensen van zichzelf nog niet weten en dat hij daarvoor ook nog de ware materialistische grondslag kan aangeven. Dat laatste heeft hij niet waar gemaakt. Het eerste wel.
Freud zou met zo'n motivering van een stuk over de psychoanalyse nooit genoegen hebben genomen.