NRC 29 maart 1997

De psychoanalyse, dat is waar ook, hoe zou het daar na al die tijd mee gaan? Zijn de patiënten en ex-patiënten er beter van geworden? Daar is het toch allemaal om begonnen.

De eeuwige moeilijkheid met de psychoanalyse en alle andere remedies tegen hartzeer is dat de werkzaamheid zo moeilijk is vast te stellen. De psychoanalyse komt er in de vergelijking met andere methodes goed af, maar allemaal behalen ze een matig en wisselvallig resultaat.
Kan het soms aan de meting liggen, en niet aan het gemetene? Wat is eigenlijk de maat van psychisch welzijn? Bevindt zich in een luxe gestoffeerde kluis te Sèvres de Gouden Geest in constante toestand van exact éen standaardeenheid Algemeen Menselijk Levensgeluk? Alles wat er aan zinnigs over het geestelijk welbevinden valt op te merken is nu juist in strijd met de notie dat gemoedstoestanden zich simpelweg laten meten en vergelijken, tussen mensen of bij één mens op het ene tijdstip en het andere.

Dat mag waar zijn, maar door het onderzoek naar de behandelingsresultaten al bij voorbaat af te wijzen komt de psychoanalyse terecht bij al die andere schuimkloppers die het ontbreken van aantoonbaar resultaat aan de toonders wijten: handopleggers en hoofdomkeerders, homeopaten en kruidensmeerders, instralers en speldenprikkers .
Toch is er een verschil met de psychoanalyse. Als een vloeistof met niks erin werkzaam zou blijken, dan zou de hele natuurwetenschap zich nog eens goed moeten laten nakijken. Wanneer zou blijken dat een onstoffelijk fluïdum door simpele aanraking of zelfs op afstand zomaar genezing kon brengen, dan zou die bevinding het westerse wereldbeeld in een diepe crisis storten. Mensen die goedgelovig en bijgelovig zijn beseffen meestal niet wat ze daardoor allemaal niet geloven, welke wetenschappelijke en logische grondregels ze daarmee al verworpen hebben.

In de psychoanalytische metatheorie wordt van alles verondersteld dat onbewijsbaar is, niet eens bewijsbaar onwaar. Maar zonder die constructies kan het ook. Wat dan rest is een minimumtheorie, en de psychoanalytische praktijk. Dat zo een praatkuur inzicht en verlichting kan brengen is helemaal niet onaannemelijk. Het is met geen enkele natuurwet in strijd, het strookt met de algemene mensenkennis. Daarmee is de geldigheid van de psychoanalytisch aanspraken nog helemaal niet bewezen (net zomin als de onaannemelijkheid van allerlei wonderkuren de ongeldigheid ervan bewijst). 

Empirisch onderzoek kan ruwe aanwijzingen geven over de effectiviteit, maar de metingen missen toch het meeste waar het in de psychoanalyse om gaat. De psychoanalyse hoort naar haar aard ook niet thuis bij het medisch behandelingsmodel en bij het mirakelmodel al helemaal niet.

De psychoanalyse is heel goed te vergelijken met muziekles. In lange jaren van oefening leer je een instrument beter bespelen, zoals je in de psychoanalyse beter leert omgaan met eigen en andermans emoties. Muziekpedagogen hebben veel verstandigs te zeggen over muzikale vorming, maar door hun boeken te lezen wordt je nog geen goede muziekleraar, laat staan dat je er een beter musicus van wordt. Er bestaat ook een musicologie, met vaktijdschriften en hoogleraren. Daarvan leert geen musicus beter spelen, maar het schijnt dat je de muziek toch beter begrijpt en er zelfs meer van geniet als je iets van muziektheorie erbij weet. Zijn muzikale vorderingen te meten, zodat de effectiviteit van het muziekonderwijs kan worden aangetoond? Er zijn vast wel ruwe aanwijzingen te constateren.

De psychoanalyse wordt in een vergelijking met de muziek niet te kort gedaan, maar er is een doorslaggevend praktisch verschil: muziekleraren worden niet door de verzekering vergoed en psychotherapeuten nog wel. Daar staat tegenover dat sommige musici wereldberoemd worden, en miljoenen mensen van hun spel kunnen genieten, terwijl gevoelsbegaafde en gevoelsgeoefende mensen hun interpretaties van eigen en andermans roerselen binnenskamers houden. Zielkunde is geen podiumkunst. Psychoanalyse en muziek hebben veel gemeen en ze verschillen in alles waarin het zielsleven en het muziekleven van elkaar verschillen.
Gevoelsbegaafdheid, het vermogen om jezelf en anderen te begrijpen, lijkt op muzikaliteit. Net als een goede muzikale vertolking, wekt ook een rake analytische interpretatie ontroering; en daaruit blijkt haar juistheid.

Lang geleden, toen ik zelf nog zielsles gaf, ging ik regelmatig te rade bij ervarener collega's. Eén van die supervisors, Portegijs had hij heel goed kunnen heten, was zowel muzisch als psychisch een uitzonderlijk begaafd mens. Alles wat hij te zeggen had klonk moeiteloos en speels en goedgestemd. Telkens en telkens weer kwam Portegijs terug op eenzelfde thema: de overdracht. In alles wat mijn patiënt te berde bracht, in alles wat hij uitvoerde buiten de zittingen, zag Portegijs de verborgen verwijzingen naar mij, de therapeut. Dat ik daar niet steeds oog voor had, of dat ik het anders opvatte, dat had, zo meende hij, te maken met de tegenoverdracht, dus met de gevoelens die ik zonder het met zoveel woorden te beseffen had opgevat voor mijn patiënt.

Dat leek mij toen vaak gedram, meer ingegeven door loyaliteit aan de leer en ontzag voor de leiding, dan door inzicht in de patiënt. Achteraf besef ik dat Portegijs een bijzonder probleem had met de overdracht. Innemend en begaafd als hij was, waren zijn patiënten vol bewondering en genegenheid voor hem. Van de leer en van zichzelf moest Portegijs dat wel als overdracht duiden. Maar eigenlijk had hij het gewoon moeten zeggen: 'Met elke andere analyticus zou er bij u zeker sprake zijn van overdrachtsgevoelens, maar in ons geval zijn uw bewondering en liefde voor mij geheel en al terecht.'