NRC 12 april 1997

De psychoanalyse is gestikt in de verwachtingen die ze zelf heeft opgeroepen. Een wetenschap van de levenskunst, een geneeswijze van het vermijdbaar ongeluk, een methodiek voor de oplossing van levensproblemen, dat alles wilde ze zijn, of dat wilden de mensen dat de psychoanalyse zijn zou. Zo verwerd ze tot cultus en als cultus werd ze verstoten.

Diep in de westerse beschaving (en diep in de westerse versie van de oosterse beschaving) ligt een opdracht: Ken uzelve. Het bestaan is niet anders dan een lange les in zelfkennis.

Maar hoe moet dat? In nood, uiteraard, door tegenslagen leert men zichzelf kennen. Maar in een tamelijk vreedzame samenleving overheerst de innerlijke nood. Dan moet de uitweg gezocht worden in zelfopgelegde beproevingen, in een lange leergang naar verlichting. Niet iedereen kan die hachelijke tocht volbrengen, sommigen vallen halverwege af en dwalen voort in schemering, anderen vervallen onderweg tot razernij en waanzin. Een enkeling bereikt ten lange leste het inzicht in zichzelf en in de wereld. Zo iemand spreekt alleen nog in raadselen of uit zich met zo'n bedrieglijke eenvoud dat alle verwikkelingen waarmee de onverlichte medemens nog worstelt enkel maar verwarring lijken.
Heel even leek het alsof al die moeite overbodig was geworden. Er was niets anders nodig dan een koene sprong in de duisternis, of minder nog: je moest alleen maar even slikken. Er was een pil voor zelfkennis uitgevonden, LSD. In dat ene tabletje was de hele metafoor gecomprimeerd: de beproeving, de uitverkiezing, en dan het volmaakte inzicht, òf het falen, de verwarring en zelfs de krankzinnigheid. De meeste mensen die het probeerden beleefden geen van beide, maar dwaalden een paar uur in een verhevigd visioen en hielden dat verder voor gezien. Nog veel meer mensen begonnen er wijselijk niet aan.

Wat nu? Het lange, smalle pad naar zelfkennis. Misschien hielp het wel om onder deskundige leiding elke dag een paar uur in kleermakerszit naar de muur te staren en daarbij een reeks voorgeschreven lettergrepen te prevelen. Het was in elk geval heel oosters en veel minder schadelijk, de spierpijn ging vanzelf over en de verveling was juist de bedoeling. Veel mensen hebben er naar eigen zeggen baat bij gevonden.

Er was nog een andere gang naar de verlichting, nog smaller, nog langer en zeker even moeizaam. Die weg werd liggend afgelegd: de psychoanalyse. Nu was de kunst niet om te zwijgen, maar juist om te praten, vijf maal in de week, drie kwartier, drie, vijf, zeven jaren lang. Ook hier gloorde aan het einde de zelfkennis, ook hier was deskundige leiding vereist, en ook hier moest een beproeving worden doorstaan, het gevecht met de monsters uit de innerlijke onderwereld van het onbewuste. Wie dat eenmaal doorstaan had zou voortaan beter leven, en althans het nodeloze ongeluk kunnen vermijden.

Deze opsomming doet de psychoanalyse geen recht, maar onrecht. De psychoanalyse is nu eenmaal verstrikt geraakt in het culturele keurslijf van verwachtingen, de klaarliggende ideeën van beproeving en verlichting, of van schrikkelijk falen. De psychoanalytici konden zich daar niet geheel van losmaken en ze wilden het ook niet echt, waren zelf ook opgenomen in dat cultureel patroon.
De psychoanalyse beriep zich daarbij niet op de farmacologie of op de esoterische mystiek, maar op een wetenschappelijke zielkunde. Die wetenschappelijke pretentie van de analyse in een wereld van magische verwachting heeft grote schade aangericht. De psychoanalyse is erdoor verstard, wat erger is, veel mensen zijn erdoor beschadigd.

De gegadigden die zich aanmeldden voor behandeling bij het psychoanalytisch instituut moesten eerst een grondig onderzoek ondergaan. Het hemd werd hun van het lijf gevraagd, en daaronder begon het pas goed. Er werd getest, geïnterviewd, gerapporteerd en aan het eind van deze rituele initiatie volgde de aanvaarding als verbeterbaar patiënt òf de afwijzing als onbehandelbaar geval. Vanzelfsprekend werd de weigering verguld en ingekleed met veel verzachtende overwegingen. Dat hielp niet, want de geweigerden vatten het op als een vonnis in hoogste instantie dat hen voor goed tot de duisternis veroordeelde, om eigen bestwil, want zij zouden de beproevingen van de psychoanalyse niet kunnen doorstaan. Dat was immers gebleken uit het onderzoek en al werd daar in een nagesprek nog wat omheen gepraat, zo bleef het toch de meeste afgewezenen in de keel steken.
Ondanks alle goede zorgen, alle procedures en alle diagnostische termen was deze selectie eigenlijk op niets gebaseerd. Niemand weet hoe de analyse zou zijn verlopen als de afgewezen patiënt wèl in behandeling zou zijn genomen, niemand weet hoeveel analyses van patiënten die wèl werden geaccepteerd toch zijn mislukt en waar dat dan aan lag.

Had iedereen dan zomaar aangenomen moeten worden? Particuliere patiënten hoefden dit onderzoek niet door te maken. Waarschijnlijk paste ook de zelfstandige analyticus selectie toe, wat minder systematisch, wat meer intuïtief. 
Waar gaat het dan in wezen om bij de selectie van geschikte kandidaten voor een psychoanalyse? Om ongelukken te vermijden: een zelfmoord tijdens de behandeling, een toenemende verwarring die gevaar oplevert voor de omgeving, of grote overlast voor de analyticus en diens gezin. Eigenlijk zijn al die patiënten geschikt voor behandeling, die jarenlang hun emoties kunnen bespreken op de afgesproken tijd gedurende drie kwartier op de minuut, die niet van de bank afkomen, niet al te luid te keer gaan, niet met het meubilair gaan gooien, en al helemaal hun analyticus niet aanvliegen, die aan het eind van het uur een traan wegvegen en min of meer in de plooi hun levenswandel hervatten tot de volgende afspraak. Zulke mensen zijn al heel erg goed, misschien worden ze er nog beter van.

Over al die anderen, die niet in psychoanalyse zijn gegaan is niets te zeggen, helemaal niets. Dat moet genoeg zijn.