NRC 26 april 1997

De Profiel-bijlage in deze krant van 10 april behelste een uitvoerig en gedegen overzicht van de therapievormen die in Nederland beschikbaar zijn: een consumentengids voor de ambulante zenuwlijder, om te bewaren bij de hoofdpijnpillen en de kalmeringstabletten tot ooit de vertwijfeling toeslaat.

Het ging in die bijlage over de vraag hoe iemand de therapie kan vinden die voor zijn problemen het meest geschikt is. Uit de inventaris bleek al dat de verschillende scholen in de psychotherapie zoveel van elkaar hebben overgenomen dat de oude scheidslijnen vervaagd zijn, en ook in geneeskracht ontlopen ze elkaar blijkbaar niet veel. Wat in die aflevering buiten beschouwing bleef en toch doorslaggevend kan zijn, dat is de persoon van de psychotherapeut.

In de psychische hulpverlening opereren even veel dwazen, domkoppen, oplichters, aanstellers en warhoofden als overal elders. Zolang ze zich strikt houden aan de methodiek die ze in hun opleiding hebben geleerd blijft de schade - en ook het nut - beperkt. Maar zodra ze hun eigen inbreng op de cliënt loslaten voltrekt zich een trage ramp waarvan de gevolgen pas veel later in hun volle omvang blijken.

De vraag is dus niet zozeer bij welke psychotherapie, maar welke psychotherapeut iemand het meeste baat heeft. Dat blijkt pas in het gebruik. Vaak gaat het goed: de hulpverlener maakt een bekwame, verzorgde en ook wel sympathieke indruk: iemand met wie te werken valt. God zegene de greep.

Soms gaat het meteen al anders. In de wachtkamer staat een ameublement dat de bezoeker gehoopt had na de kinderjaren nooit weer te hoeven zien, de wandversiering maakt al huilerig nog voor de eerste klacht geuit is en uit de lectuur op het leestafeltje blijkt dat hier iemand resideert die zijn cliëntèle voor zwakzinnig houdt. De hulpzoekende begint zich alvast te pantseren als een treinpassagier die zijn slaapcoupé moet delen met een ongewenste vreemdeling.
Nu niet meteen de wachtkamer uitgevlucht, nog even doorzetten. De therapeut verschijnt al in de deuropening en noodt zijn cliënt met uitgestoken hand de spreekkamer in. Daar is het nog erger dan het al leek. Het is niet dat iets in het bijzonder niet bevalt, helemaal niets aan de nieuwe hulpverlener is naar de zin. Nu dadelijk te durven opstaan met een beslist afscheidswoord: 'Ik zou u niet eens kunnen zeggen waarom, maar u staat mij tegen.' Daar is veel moed voor nodig, en het zou nog wel eens overmoed kunnen blijken.
Het is in zo'n geval het beste die drie kwartier maar uit te zitten en zich ondertussen één ding af te vragen: zou ik die persoon ooit kunnen vertellen wat mij zo aan haar of hem mishaagt?

Als dat inderdaad voorstelbaar is bent u aan het goede adres en doet zich nu een buitenkans voor. Aan wie ter wereld kan men ooit ronduit zijn antipathieën voorleggen zonder dat die ander zich begint te verdedigen, in woede ontsteekt, onder de kritiek verkrampt of tot de tegenaanval overgaat en wraak zoekt?

En, nog een vraag, waarom zou die therapeut de afkeer en kritiek niet kunnen verdragen, daar heeft zo iemand toch jaren voor geleerd en daarvoor zit hij er nu toch? Maar als de cliënt daar na rijp beraad niet op vertrouwt, dan is het tijd om een ander te zoeken.

Het omgekeerde kan zich ook voordoen, maar is soms iets makkelijker te hanteren: de therapeut lijkt meteen al zo aantrekkelijk, zo invoelend en oprecht sympathiek, maar zal ze bestand blijken tegen komende toenaderingspogingen, zal ze het geklaag dat nu al opwelt kunnen verdragen, zal ze de aanspraken die zich straks aandienen weten te begrenzen, zoals haar dat in de opleiding immers is bijgebracht? Zo ja, dan kan zelfs een innemende hulpverlener nog van nut zijn. Maar als het allemaal te innig lijkt te worden, biedt een afstandelijker therapeut meer baat.

Sommige mensen vrezen zozeer de eigen woede, dat ze verwachten dat de hulpverlener bij hun eerste uitbarsting al een beroerte krijgt. Anderen houden zozeer vast aan de illusie van hun onweerstaanbaarheid dat ze willen geloven dat geen therapeut aan hun aantrekking weerstand kan bieden. Mensen die hun eigen uitwerking zo hoog inschatten kunnen beter maar een therapeut uitzoeken die hun stevig genoeg lijkt om zelfs hen te verdragen.
Een houten klaas mag die therapeut ook niet zijn, er moet iets resoneren van een eigen persoonlijkheid die zich dan wel buiten spel houdt, maar onder andere omstandigheden tot alle reacties in staat zou zijn.

Hoe meer de persoon van de therapeut bij de cliënt precies die emoties wekt die problematisch zijn, des te geschikter zou hij moeten zijn om de cliënt ertoe te brengen die ook te uiten en om ze vervolgens te bespreken. Het gaat er eigenlijk niet zozeer om of de cliënt tegen de therapeut kan, maar dat de cliënt erop vertrouwt dat de therapeut de cliënt kan verdragen.
Want de bedoeling is toch dat de cliënt, gedurende de afgesproken tijdsspanne, binnen de verzekerde omheining van de spreekkamer, onder het beding van absolute discretie, en zonder dat de therapeut meteen zijn eigen oordelen, verlangens en belangen te berde brengt, vrijuit kan praten. Zo kan die cliënt iets laten blijken van wat zij van zichzelf raar, ongepast, gênant of storend vindt, waar dan misschien iets redelijks over te zeggen valt dat het inzicht kan vergroten.

Binnen de strikte beperkingen van tijd en plaats, door therapeutische zwijgplicht en terughoudendheid afgeschermd, ontstaat een reservaat waarin de gevoelens in het wild en toch beschermd kunnen tieren. Al hebben die ontboezemingen niet de consequenties die ze in de buitenwereld zouden krijgen, ze zijn ook niet geheel vrijblijvend: ze worden gehoord door en ander, door de therapeut. 

Eens gezegd, blijft gezegd. Wat een keer uitgesproken is, wordt daarmee voorgoed bespreekbaar. Pas dan is er iets mee te beginnen. Dat is de belofte die de psychotherapie waar moet maken.