NRC 13 juli 1985

Mijn reizen hebben mij ver van huis gebracht tot diep in het Hollands polderlandsschap aan de rand van de Nieuwkoopse plassen water, open land, even geen zon, maar dan toch wind en regen.

Dus zit ik binnen te blokken, tevreden dat ik niets mis. Klaart het toch op, dan trek ik er met de kano of de zeilplank op uit dat is wel het minste wat ik doen kan.

Het is allemaal heel mooi, daar niet van, het landschap, de luchten, de waterpartijen, maar er komt al gauw een eind aan. Dat hele natuurgebied is maar een paar kilometer in het vierkant en eigenlijk ook niet zo natuurlijk. De plantjes die honderd meter verder machinaal worden uitgerukt blijven hier vol piëteit gespaard en ze staan er zo nadrukkelijk bij als beschermde exemplaren dat ik haast medelijden krijg. Zo'n natuurgebied lijkt wel een oorlogskerkhof, elk bloempje een grafmonument voor zijn soort.

Natuurgenot in Nederland is doen alsof je doofhouden voor het rommelen van het verkeer verderop en gauw de ogen afwenden van de einder, waar altijd wel een torenflat of hoogspanningskabel te zien is. Dat achtergrondgeluid en die horizon ergeren mij niet zo, maar wel de pretentie van het reservaat waarin de natuur even vrij mag tieren als de reeëen in een hertenpark.

Er is niets wilds en niets gevaarlijks aan, alles keurig ingezaaid en gesnoeid voor eigen bestwil. Volgend jaar al wordt bij elke paddestoel een bijsluiter gevoegd om de natuurliefhebber te waarschuwen voor schadelijke bijwerkingen.

Dat natuurgebied is allemaal cultuurgebied, niet alleen omdat het met de grootste zorg en precisie in stand gehouden wordt, maar ook omdat het is ontstaan uit duizenden jaren mensenwerk. Het is drooggelegd of afgegraven, omgeploegd, bemest, bebouwd, verkaveld en verkocht als bouwland, totdat het opeens herkend werd als iets anders, dat van nu af aan hetzelfde blijven moest.

De natuurgebieden in Nederland zijn historische monumenten agrarische openluchtmusea waar het landschapsgebruik uit vroeger tijden is tentoongesteld; de rietsnijders, keuterboeren, pachters, melkmeisjes, schaapherders zijn zorgvuldig weggewerkt: die zijn niet echt, niet wild genoeg.
Er is in Nederland geen vierkante meter ongerepte natuur meer over, in heel Europa niet, behalve in het hooggebergte.
Oerbossen zijn alleen nog te vinden in Siberië en ook die zijn waarschijnlijk tientallen keren door nomaden platgebrand. Zelfs de woestijnen zijn niet van god gegeven, maar ons geschonken door dezelfde mensenhand die de bomen kapte of verstookte, zodat de grond verstoof.

Op hoge zee dan, daar is tot in de wijde omtrek geen spoor van de mens te bespeuren, totdat ook de oceanen met een heel dun laagje chemicaal zijn afgedekt. Een behagelijk ideeº de hele aarde menseljk ingericht, een beetje smoezelig, hier en daar wat uitgewoond, maar toch de eigen, oude, vertrouwde thuisplaneet.

Natuurgebied in Nederland is agrarisch werkterrein bewaard in oude staat. In welke toestand wordt dat landschap bevroren? Zoals het was vóór de komst van de auto en de tractor. Dat vinden moderne mensen pikantº een onverhard gebied, helemaal zonder bandensporen. En zelfs in Afrika moeten op last van de voormalige kolonialen die daar nu terugkeren vermomd als natuurbeschermers, hele provincies gefixeerd worden in de oude toestand, precies zoals ze waren voordat de Europese kolonisten kwamenº alsof geweer en jeep er nooit geweest zijn.

Natuur is cultuur minus industrie. Natuurbeschermers spelen graag pre-industrieeltje en eisen daarvoor onmetelijke pretparken op.

Het grondgebruik sinds de industriële revolutie is even natuurlijk of onnatuurlijk als de bewerking van het land voordien. Het post-industrieel landschap heeft een eigen schoonheid, op een anders schaal, bij een andere snelheid. Dat kan de trage, kortzichtige wandelaar niet zien, dat blijkt pas bij honderd kilometer per uur, als de bruggen en verkeerpsleinen hun ritme en samenhang krijgen in een strak landschap van stipt verkavelde vlaktes, her en der gemarkeerd door een mast of een toren. Heel Nederland is een landschapspark, uit de auto of de trein te bezichtigen. Voor dat tempo is het gemaakt. Die rare bosjes en plukjes, waar voetgangers rondhangen, moeten eruit. En verder moet alles behouden blijven precies zoals het nu is, vóór de komst van de ondergrondse kogeltrein en de eenmansraketjes, in zijn ongeschonden, pre-futuristische, natuurlijke toestand.

Midden in het post-industrieel landschapspark de Randstad, waar brede betonbanen hun patroon trekken tussen bebouwde kom en industrieterrein, is hier en daar wat bewaard gebleven uit de tijden dat mensen nog in het klein aan het landschap knoeidenº wrakke veeneilandjes en morsige poeltjes, een slordige rietkraag rond sompige weiden, de Nieuwkoopse plassen.

Daar in het plassengebied wordt een ruimharitg minderhedenbeleid gevoerd. De subhumane soorten die elders diskreet verwijderd zijn, worden hier van overheidswege positief getolereerd.

Er wordt hier bij zonsopgang en zonsondergang onmiskenbaar getwinkeleerd gedurende de 'kwetter-uren’ zoals die in de Suburbane Geluidsnota zijn aangewezen voor pluriforme en multi-speciële auditieve expressie door non-humane doelgroepen. (Te denken valt hierbij aan de honderdduizend lijsters, driehonderduizend merels, achttienhondrerd leeuweriken, zevenentwinitg koekoeken die in dit gastvrije landje toch nog altijd de B-status gegund wordt zolang zij zich van hun kant tenminste ook aan onze spelregels houden). Daar zweeft een zwaluw langs, zo'n aardig uitheems dier, dat mij in het voorbijgaan nog even gauw zijn doorreisvisum toontº 'alles dik voor mekaar, meneer’ en weg is 't ie naar zijn primaire leefverband.

Een dichte motregen nevelt over de stille plas, diepe rust, verveling haast, stilte en nattigheid.

De kalmte, de opluchting, de ontspannen kracht die heel even in mij opwelt, het geluksgevoel, dat is allemaal reeds voorzien in de Nota Ruimtelijke Ordening.