NRC 14 december 1985

Elk weekend zijn zo'n half miljoen mensen in de weer om de wedstrijden van hun club te regelen. Er zijn dan ook tienduizenden sportverenigngen in Nederland met vele miljoenen leden die iedere week wel iets aan sport doen. Er moeten banen worden uitgezet, velden gemaaid en afgebakend, netten gespannen, vloeren geboend, broekjes genaaid, hempjes gewassen, emblemen opgezet, vlaggetjes gepland, startschoten gelost, boeien gelegd, tijden opgenomen, punten uitgedeeld, regels toegepast en uitslagen vastgesteld. Dat wordt allemaal keurig verzorgd door mensen die daar zin in hebben in hun eigen vrije tijd. Als de velden eenmaal zijn aangelegd, de baden en de hallen zijn gebouwd, komen daar nauwelijks nog ambtenaren aan te pas. Laat op de avond zit de secretaris nog te zwoegen op een wedstrijdformulier en maakt de penningmeester de clubkas op.

Er moeten tienduizenden clubblaadjes bestaan, groezelig gestencild en rommelig gevouwen, met een advertentie van de dorpsslager die ook secretaris is op de achterkaft, volgepend met enthousiasmelingenproza en laatste waarschuwingen tegen laatkomers of valse starters. Alleen die blaadjes al zouden eens verzameld moeten worden: daarmee kan dan de mentaliteitsgeschiedenis geschreven worden van de sportievelingen die zich nergens anders uiten in het openbaar.

Waarom doet de Nederlandse Volksbond voor Cultuurstudie daar niets aan? Weer zo'n club met enkel papieren leden en een voorzitter die er met de kas vandoor is).

De sport bestaat van vrijwilligerswerk, daar leeft het onderling beheer in eigen kring; het kost tegen de twee miljard per jaar, maar de amateurs dragen een derde van die kosten zelf. Dat lukt en dat loopt allemaal op eigen initiatief.

De sociologen Ton Dekker en Gerard Goudriaan hebben zich ooit eens afgevraagd waarom in de sport alles zomaar kan wat in het welzijnswerk met zoveel moeite geprobeerd wordt en altijd weer mislukt: zelfhulp, onderlinge zorg, gemeenschapswerk, zelfredzaamheid, kortom het welzijnsideaal.
Maar die gemeenschapsopbouw en dat buurthuiswerk kwamen al van bovenaf, want buurt en gemeenschap moesten hogerop. Vormingswerkers zouden de mensen helpen om zichzelf te helpen door hen te helpen willen dat ze geholpen werden. In de sport mag helemeaal niemand iemand helpen want dat is vals spel. Niemand wil er iets hogers, iedereen wil alleen maar hoger, verder, sneller en dan onder de douche, de kleedkamer uit, de kantine in en weer naar huis.

En ondertussen zijn er steeds weer mensen bereid om alle klussen op te knappen die voor dat sportgenoegen nodig zijn. Er zijn altijd een paar mensen vrijwilliger dan anderen en die spannen zich gemiddeld zo'n veertig uur per maand in voor hun club (Verstegen e.a., I.V.A., Tilburg, 1983). Het verenigingsleven bloeit en de bestuurders hebben er plezier in, als het maar klein blijft (zo'n 250 leden), eenvoudig, overzichtelijk en ongereglementeerd, en als iedereen een eigen taak heeft zonder al teveel overleg of opdracht.
Vrijwel al het werk is onbetaald en van bemoeienis door deskundigen wil men niets weten. Het Ministerie was nog wel van plan zich intens met de amateursport te gaan bemoeien en meende dat de clubs zichzelf niet langer konden redden. Met de bezuinigingen is ook die bemoeizucht weer getaand.
Maar waarom lukt nu in de sport wat in het welzijswerk mislukt? Omdat de sport zijn eigen kalender, zijn eigen program en zijn eigen noden dikteert. Er is een competitie en daarmee staan de wedstrijden lang van tevoren vast. Alles wat voor zo'n wedstrijd moet gebeuren is precies bekend bij alle leden. De ontmoeting zelf is tot in het kleinst detail geregeld in het wedstrijdreglement.

In het welzijns- en het vormingswerk staat dat allemaal permanent ter discussie, is alles eerst voorwerp van bewustwording en dan van groepsgesprek en dan van politieke actie. De agogiek kent geen kalender en geen reglement. Alles moet telkens weer opnieuw worden uitgevonden en in de groep gebracht.

Maar er is in de sport nog iets anders aan de hand: er is niet alleen een vaststaand kader, maar er is ook een eigen dynamiek: de wedijver.
Elke week staat weer de groepseer op het spel, niet alleen dat de ene deelnemer wint en de andere verliest, maar de hele club komt uit tegen een andere en stijgt en daalt met de uitkomst van de strijd. Er is een werkelijk wij-gevoel en dat wordt in die wedstrijd uitgeleefd. Ook in het vormingswerk ontstaat wel eens saamhorigheid, maar dan is het 'wij tegen de wereld' en in die krachtmeting is wel een tussenstand, maar nooit een einduitslag.

Wie een sportclub op zichzelf bekijkt kan nooit begrijpen waar men zich daar zo druk om maakt. Dat blijkt pas als die club gezien wordt in de hele constellatie, in wat zo terecht 'de competitie' heet. In die prestigestrijd moet de eigen ploeg de groepseer bevechten en daar zetten ook de bestuurders en de helpers zich voor in. Het zou de vrijwilligers hun eer te na zijn als de andere ploeg beter te voorschijn kwam. Zo hebben al die mensen zich laten opnemen in een erezaak en kunnen zich daar niet goed meer aan onttrekken als de competitie eenmaal begonnen is.

In de sport heerst onderlinge concurrentie om de eer: competitie om het groepsprestige. In het welzijnswerk, dat nu eenmaal van subsidie leeft, gaat de wedijver om overheidsgeld. Het welzijnswerk zou meer leven als het net zo werd opgezet, als een strijd tussen groepen: om de eer en het gewin van overheidserkenning.