NRC 26 oktober 1985

Het huwelijk is de fatsoenering van de liefde. Het is de belichaming van het burgerfatsoen. Waar de burgerlijke gedragscodes overheersten verbreidde zich ook de huwelijksmoraal. Het aantal getrouwde mensen in elke leeftijdsklasse nam sinds de eeuwwisseling dan ook gestaag toe tot voor een jaar of tien: rond 1900 was goed de helft van de mannen vóór hun dertigste getrouwd, in 1971 bijna negentig procent. Het percentage buitenechtelijke kinderen daalde ook, steeg in de oorlogsjaren en kort daarna, daalde sindsdien nog verder en is sinds de late jaren vijftig opnieuw sterk aan het stijgen.
Ook het percentage huwelijken dat eindigt met een echtscheiding steeg langzaam, met een sprong in de naoorlogse jaren en een terugval die duurde tot in de jaren zestig; sindsdien nemen de scheidingen weer toe.
Uit die cijfers is niet af te lezen dat een eeuw geleden veel mensen samenleefden in concubinaat, vooral in de lagere volksklassen die pas gaandeweg bekeerd werden tot burgerlijke fatsoensnormen en daarmee ook tot de huwelijkse staat. Hun scheidingen blijken evenmin in die statistieken en dat flatteert de echtscheidingscijfers uit die voorbije tijd. Dat samenhokken was toen een armeluisgewoonte, die gold als een bewijs van onfatsoen. In de laatste tijd is het ongehuwd samenwonen weer sterk toegenomen, maar juist onder de hogere standen: mensen die ongetrouwd samenwonen blijken hoger opgeleid dan gehuwden.

Kennelijk is in de loop van de eeuw het huwelijk algemeen aanvaard geraakt en diende niet langer als onderscheid tussen nette en onnette mensen. Het scandaleuze ging van het hokken af en in hogere kringen werd het acceptabel, eerst als een 'proefhuwelijk' en nu meer en meer als gelijkwaardig alternatief. Het huwelijk geldt in die ontwikkelde kringen als 'burgerlijk' en in die milieus betekent dat 'kleinburgerlijk' en 'benepen'. Zoals zoveel andere burgerlijke gedragsvormen wordt ook het trouwen, als het eenmaal algemeen gebruik is en dus niet langer de distinctie dient, in toonaangevende kringen opgegeven en overgelaten aan lagere milieus. Het huwelijk is, kortom, een zinkend cultuurgoed.

Er zijn voor die veranderingen in de huwelijksmoraal nog wel andere redenen aan te geven: de mensen leven langer, er worden minder kinderen in het gezin geboren die dan ook eerder de deur uitgaan, de vrouwen in betere kring werken vaker buitenshuis, en voor gescheiden vrouwen is er behalve alimentatie ook de bijstand.

Al met al zijn er nu veel meer ongetrouwde volwassenen dan een jaar of tien geleden. Dat schept verwachtingen over nieuwe samenlevingsvormen die in de plaats komen van het huwelijk. In een dezer dagen verschenen publicatie van het Sociaal en Cultureel Planbureau, Binding in vrijheid, gaat Dr. H.M. Langeveld in de vakliteratuur na welke alternatieven voor het levenslange, monogame huwelijk in eigentijdse samenlevingen verbreid raken. Van al die actuele trends blijft in de praktijk niet veel over: het open en het vrije huwelijk, groepshuwelijken, rolverwisselingen, iedereen leest erover, maar bijna niemand doet eraan. In het overzicht ontbreekt één, klassieke, variant: het huwelijk waarin de man en vaak ook de vrouw een vaste geliefde buitenshuis hebben, maar in gezinsleven en zakenkwesties hecht bijeen blijven. Dat was het aristocratisch en grootburgerlijk arrangement, dat in een iets andere vorm ook voor het Caraïbisch gebied beschreven is. Die huwelijksvorm met maintenees, minnaars en buitenvrouwen heeft blijkbaar nog geen nieuwe ideologen gevonden en ook geen openlijke belijders.

Langeveld neemt aan dat mensen vaker zullen scheiden, een derde van de huwelijken van degenen die nu onder de dertig zijn zal in echtscheiding eindigen. Maar diezelfde mensen zoeken zich na verloop van tijd een nieuwe vaste partner.
De mensen blijven monogaam, maar niet steeds met dezelfde.
Langeveld spreekt van 'serie-monogamie', een term die wieweet nog eens goed van pas komt. Het doet mij denken aan een bekende psychiater die op hoge leeftijd nog eens, voor de zesde keer, trouwde en alle bedenkingen wegwoof: hij had al vijf goede huwelijken achter zich. Inderdaad kan men zich bij zo iemand indenken dat het huwelijk telkens weer tot volle tevredenheid van beide partijen werd ontbonden.

Het probleem is dan ook niet zozeer dat getrouwde mensen op den duur nogal eens genoeg van elkaar krijgen, maar dat ze er niet tegelijkertijd evenveel genoeg van krijgen en dat hun beider kansen in een nieuw leven niet gelijk zijn.

Goed beschouwd is dat ook het probleem van mensen die nog niet met elkaar getrouwd zijn en die tezelfdertijd allebei genoeg om elkaar moeten geven en beiden hun buitenkansen moeten laten varen om met elkaar te trouwen. Als één van beide partijen daar dan toch maar van afziet, maakt de omgeving zich daar nauwelijks druk over en een maatschappelijk probleem is het al helemaal niet. Toch was de afgewezen bruid of de in de steek gelaten verloofde de tragische figuur bij uitstek in de negentiende eeuwse romanliteratuur. Tegenwoordig worden de tragedies collectief beschreven, door sociologen, en begint het beklag aan de andere kant, bij de scheiding.
Na een periode van treuren en dan van zoeken en proberen, vinden gescheiden mensen een nieuwe geliefde, voor de middellange termijn. De seriale monogamie is de vrijheid van de herhalingsdwang.