Over land, een reisverslag
6. Nationale parken
Nebraska is een nog groene staat, waar maïs groeit, alfalfa (dat is luzerne, een voedergras) en koren. De weg ligt in een geul tussen eetbare vlaktes zover het oog reikt, zolang de rit duurt. Maar in Wyoming droogt het land op, de grijze aarde schijnt tussen het karige gras door. Geen boerderijen meer met rood-okeren schuren, alleen af en toe een grindweg die de heuvel afhobbelt naar een groepje houten opstallen aan de horizon. Geen mens te bekennen, bijna geen beesten. Af en toe een kudde koeien overgelaten aan hun eigen loomheid. De grond is wit uitgeslagen en smaakt zout: soda. Een of twee keer begint een nederzetting, benzinepomp, vijf huizen, een kleine fabriek en een ‘general store’: alleswinkel, postkantoor, café. De prairie loopt dwars tussen de huizen door naar alle kanten tot de horizon.
Tegen de avond bereiken we de heuvels, daar beginnen de bossen. We stoppen om kamp te maken en uit de struiken komt een jeep met boswachters en verhalen over elanden en beren diep in het woud. Van horen zeggen weet ik dat bulldozers, tractors en motorzagen bezig zijn aan het woud te vreten, maar wij komen ze nooit tegen, zien zelfs hun sporen niet. Hele fabrieken worden met dit hout gevoerd, maar het bos groeit over de open plekken heen weer dicht.
Dagreizen, heuvelruggen, horizons van bos. Een land van bomen, verenigd in nationale wouden, bewoond door een woudvolk van lopers en hakkers en boswachters, ’s zomers bezocht door stedelingen die geschrokken over de gemerkte paden schuiven of dwaas aan een beek zitten te vissen.
Het land begint te heuvelen en ongemerkt stijgen we tot een hoogvlakte. Aan de westkant sluit een bergketen het landschap af met vier, vijf wrede toppen: de Tetons, met sneeuw uit vorige seizoenen en gesteenten uit een vorige historie. Aan de voet ligt een vallei, doorsneden met beekjes die daar hun kronkelspelen houden, meertjes vormen en hoog gras laten groeien op kalm glooiende weiden. Een landschap als Lugano of Como in de beste dagen van de prentbriefkaart. Maar hier zijn geen hotels, cafetaria’s en vastgelopen files auto’s. Het hele gebied is nationaal park, eigendom van de staat, bestuurd vanuit Washington. Onder regeringstoezicht zijn op een paar punten centra opgetrokken met campings, bungalows, een hotel, restaurant en een winkel. Alles in vrome eerbied voor het omringende landschap, geleid door een subtiele hand die wegwijzers plaatst, paden markeert en kaarten en gidsjes uitreikt. De entree is goedkoop, overnachting billijk, bescheiden tentoonstellingen en behulpzame boswachters vertellen de stedeling wat er voor hem te zien is.
De staat bewaart, vadert en verschaft genoegens. De zegeningen van het socialisme in de tuin van het kapitalisme. Over heel het land liggen in de mooiste streken nationale en staatsparken waar een verstedelijkt volk kan komen kijken naar wat het thuis moet missen. De grootste verademing in deze parken komt niet eens van het overvloedig natuurschoon, maar uit de afwezigheid van alle commercie. Niets wordt de bezoeker opgedrongen, niets hoeft en de enige regels zijn eenvoudig en aansprekend als in een beginnende gemeenschap: maak geen lawaai, werp geen vuil, wees voorzichtig met vuur. Dat begrijpt iedereen, het is de algemene wil. Verder kan iedereen voor zich en de zijnen leven. En iedereen die een baan heeft, kan zich veroorloven met zijn gezin in een van die vele parken te gaan kamperen.
Ten noorden van Grand Teton ligt Yellowstone Park, het oudste van de nationale parken, met een rest van negentiende-eeuws toerisme: natuurwonderen en genezende bronnen. Het is vulkanisch land, waarin rivieren duizend meters diepe kloven hebben gesleten en waaruit eensklaps water opborrelt, in onderaardse kiezelbedden door vulkanische hitte tot stoom gekookt. Het komt omhoog in grote pluimen, constant of onderbroken, als geysers, het rommelt in modderpoelen, doorschoten met veelkleurige algengroeien het spoelt over grillige metershoge kalkstenen sculpturen, ontstaan door de aanslag die overblijft als het water bovengronds afkoelt. De bronnen wandelen over dit terrein, verplaatst door aardschokken of verschoven door aanslibsels. Met een gids in de hand verbazen de bezoekers zich over dit stuk aarde dat voor hun ogen geologie aan het bedrijven is. Uit de struiken komt af en toe een beer te voorschijn, een reuzeneland laat zich roerloos benaderen tot op twee pas afstand. Het wild is aan de mensen gewoon geraakt en weet zich onaantastbaar.
In deze parken mag de natuur de vrije natuur blijven, al zijn dan de beesten en de bomen opgesloten in de bossen, de bergen en de weiden verschanst in reservaten. Maar de Amerikanen zijn nu zo ver getemd dat ze zonder schade aan te richten in de natuur kunnen worden losgelaten.